ECLI:NL:PHR:2005:AS3640
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid bestuurders in faillissementszaak en afwijzing cessie als storting
In deze faillissementszaak vordert de curator onder meer hoofdelijk aansprakelijkheid van bestuurders voor het tekort in de boedel en schadevergoeding wegens wanprestatie en onrechtmatige daad. De bestuurders stelden dat zij aan hun stortingsplicht hadden voldaan door middel van cessie en kwijtschelding van vorderingen, maar de rechtbank en het hof oordeelden dat deze cessie niet voldeed aan de voorwaarden van de kredietovereenkomst, mede omdat de bank niet op de hoogte was gesteld en geen instemming had gegeven.
De Hoge Raad bevestigt dat de cessie en kwijtschelding niet als daadwerkelijke storting kunnen worden aangemerkt, omdat zij niet bijdroegen aan de acute liquiditeitsverlichting van de vennootschap en niet voldeden aan de redelijke verwachtingen van partijen bij de kredietovereenkomst. Ook werd geoordeeld dat de curator voldoende belang had bij zijn vorderingen en dat zijn onderzoek naar het faillissement de vorderingen voldoende onderbouwde.
De bestuurders voerden aan dat de curator de boedel ondeugdelijk beheerde en dat zij niet aansprakelijk konden worden gesteld voor schade die de curator zelf veroorzaakte, maar dit werd verworpen. Ook het beroep op verrekening door de bestuurders werd afgewezen vanwege onvoldoende bewijs en tegenstrijdige stellingen.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarbij de Hoge Raad het arrest van het hof bekrachtigde. De betalingsveroordeling aan de curator werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard zonder zekerheidsstelling, wat niet tot cassatie leidde wegens gebrek aan belang.
Deze uitspraak bevestigt de strikte uitleg van stortingsverplichtingen in kredietovereenkomsten en benadrukt het belang van instemming van de bank bij alternatieve invullingen van stortingsplichten in faillissementsprocedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.