ECLI:NL:PHR:2005:AS3785

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02503/04 H
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 467 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens onverzekerd rijden met voorlopige dekking en bewijsbrief

De aanvrager werd veroordeeld door de Kantonrechter te 's-Gravenhage tot twee weken hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden wegens het rijden met een onverzekerde auto op 17 juni 2002. De aanvrager kon destijds geen schriftelijk bewijs overleggen dat de auto verzekerd was.

Later bleek uit een brief van de verzekeringstussenpersoon, gedateerd 2 juli 2002, dat er vanaf 4 juni 2002 voorlopige dekking was verleend. Deze brief werd pas na het vonnis aan de aanvrager bekend, mede door onderzoek van de officier van justitie in een andere strafzaak over een soortgelijk feit op 6 juli 2002.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat de Kantonrechter, indien hij met deze brief bekend was geweest, het tenlastegelegde feit niet bewezen zou hebben verklaard. Daarom wordt de herziening gegrond verklaard, de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst en de zaak verwezen naar het gerechtshof voor nieuwe behandeling.

Uitkomst: Herzieningsverzoek gegrond verklaard, tenuitvoerlegging geschorst en zaak verwezen naar gerechtshof voor nieuwe behandeling.

Conclusie

Griffienr. 02503/04 H
Mr. Wortel
Zitting:18 januari 2005
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. Mr E.J.P. Nolet, advocaat te 's-Gravenhage heeft bij schriftuur namens de bovengenoemde persoon - hierna de aanvrager - herziening verzocht van een vonnis van de Kantonrechter te 's-Gravenhage, op 5 januari 2004 op tegenspraak gewezen. Daarbij is de aanvrager veroordeeld tot twee weken hechtenis en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen door de duur van 6 maanden omdat hij - kort en feitelijk gezegd - op 17 juni 2002 met een onverzekerde auto op de weg heeft gereden.
2. In de schriftuur wordt het volgende gesteld.
Op 4 juni 2004 (lees: 2002) heeft de aanvrager een autoverzekering aangevraagd. Daarop is voorlopige dekking verleend.
Op 6 juli 2002 is wederom geconstateerd dat verzoeker in een onverzekerde auto reed, hetgeen heeft geleid tot een dagvaarding voor een zitting van de Kantonrechter te Dordrecht. Naar aanleiding van hetgeen verzoeker aldaar heeft betoogd heeft de officier van justitie achterhaald dat verzoekers auto op 6 juli 2002 was verzekerd. Pas toen (ik begrijp: via de officier van justitie of naar aanleiding van diens onderzoek) is verzoeker in het bezit gekomen van een brief van de verzekeringstussenpersoon, gedateerd 2 juli 2002, waarin is bevestigd dat er per 4 juni 2002 voorlopige dekking is verleend.
In het vonnis van 5 januari 2004, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft verzoeker aanvankelijk berust omdat hij geen schriftelijk bewijs kon leveren voor zijn stelling dat zijn auto op 17 juni 2002 verzekerd was.
3. Een merkwaardig verhaal. De brief van de verzekeringstussenpersoon gedateerd 2 juli 2002, waarvan een afschrift bij de schriftuur is gevoegd, is aan de aanvrager geadresseerd. Nu het vonnis, waarvan herziening wordt gevraagd, op tegenspraak is gewezen rijst de vraag waarom verzoeker niet in staat zou zijn geweest die brief reeds ter terechtzitting van de Kantonrechter te produceren. Dat klemt temeer omdat hij in de andere strafzaak, betreffende het op 6 juli 2002 gepleegde feit, kennelijk wel voldoende wist aan te voeren om de Kantonrechter de behandeling te laten aanhouden, en de officier van justitie tot een nader onderzoek te bewegen. Wellicht wijselijk laat de aanvrager onvermeld wanneer die andere strafzaak heeft gediend.
4. Intussen dwingt de in afschrift overgelegde brief van de verzekeringstussenpersoon tot de gevolgtrekking dat er ten aanzien van de auto met het in de tenlastelegging genoemde kenteken vanaf 4 juni 2002 voorlopige dekking is verleend, ten minste tot aan de dag waarop die brief is gedateerd, 2 juli 2002.
5. Aannemende dat de Kantonrechter met die brief, althans verzoekers stelling dat de auto op 17 juni 2002 verzekerd was, niet bekend is geweest, rijst derhalve het ernstig vermoeden dat de Kantonrechter, indien hij met die brief wèl bekend was geweest, het tenlastegelegde feit niet bewezen zou hebben verklaard.
De aanvrage lijkt derhalve gegrond te zijn.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het op 5 januari 2004 door de Kantonrechter te 's-Gravenhage gewezen vonnis zal bevelen, en de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage zal verwijzen teneinde op de voet van art. 467 Sv Pro opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,