ECLI:NL:PHR:2005:AS4185

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/040HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling overbedeling bij verdeling huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding

De zaak betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen man en vrouw na hun echtscheiding. De rechtbank had een verdeling vastgesteld waarbij de vrouw diverse schulden en inboedel kreeg toegedeeld en de man een kredietschuld bij de Rabobank. Het hof vernietigde dit laatste deel van de beschikking en bepaalde dat de schuld aan de Rabobank gelijkelijk moest worden verdeeld, waarbij tevens een auto aan de man werd toegedeeld.

Het hof oordeelde dat door deze aanpassing de man overbedeeld was en veroordeelde hem tot betaling van een bedrag van € 3.832,- aan de vrouw om de overbedeling te corrigeren. De man stelde cassatie in tegen dit oordeel, stellende dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof wel degelijk begrijpelijk is en dat het hof terecht de verdeling corrigeerde om de onderbedeling van de man ongedaan te maken zonder een nieuwe onevenwichtigheid ten nadele van de vrouw te creëren. Het cassatiemiddel werd verworpen en het vonnis van het hof bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de man € 3.832,- aan de vrouw moet betalen wegens overbedeling na aanpassing van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Conclusie

R04/040HR
mr. Keus
Parket 28 januari 2005
Conclusie inzake:
[de man]
verzoeker tot cassatie
tegen
[de vrouw]
verweerster in cassatie
Het gaat in deze zaak om de vraag of het hof de man al dan niet terecht tot een uitkering wegens overbedeling heeft veroordeeld in verband met de wijzigingen die het hof in de door de rechtbank getroffen verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft aangebracht.
1. Feiten en procesverloop
1.1 De man en de vrouw zijn op 7 december 1998 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren.
1.2 Bij verzoekschrift van 14 maart 2000 heeft de man de rechtbank Rotterdam verzocht de echtscheiding tussen hem en de vrouw uit te spreken, hem het huurrecht van de echtelijke woning toe te kennen en een bevel tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te geven.
1.3 Bij beschikking van 24 juli 2002 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bepaald dat de man huurder zal zijn van de echtelijke woning en partijen onder meer verzocht aan de rechtbank en elkaar een overzicht van de activa en de passiva van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen, alsmede een voorstel tot verdeling van die gemeenschap, te doen toekomen.
1.4 Bij beschikking van 16 oktober 2002 heeft de rechtbank aan de vrouw een alimentatie van € 249,58 per maand toegekend en de behandeling van de zaak op het punt van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aangehouden.
1.5 Bij brief van 6 november 2002, nader gepreciseerd bij brief van 28 november 2002, heeft de vrouw aan de rechtbank en aan de man een overzicht van de activa en de passiva van de huwelijksgoederengemeenschap, alsmede een voorstel tot verdeling daarvan, doen toekomen(1). De man heeft daarop niet gereageerd. Hij heeft ook niet een eigen overzicht van de activa en de passiva van de huwelijksgoederengemeenschap, noch een voorstel tot verdeling daarvan, aan de vrouw en de rechtbank gezonden.
1.6 Bij beschikking van 20 december 2002 heeft de rechtbank de verdeling van de gemeenschap, conform het voorstel van de vrouw, als volgt vastgesteld:
"Ieder van partijen behoudt de inboedelgoederen, die hij/zij thans onder zich heeft.
Aan de vrouw worden toegescheiden de volgende schulden:
- tandarts € 50,64
- NS reiziger - 243,50
- RET - 121,72
- Inboedel & WA - 48,48
- Eneco - 482,43
- Schuld SoZaWe - 1215,94
- KPN - 1070,55
- Zuiveringsschap - 81,12
- EO-Visie - 48,83
Totaal € 3.363,21
Aan de man wordt toegescheiden:
- het krediet op betaalrekening bij de Rabobank."
1.7 De man is onder meer van de beschikking van 20 december 2002 in hoger beroep gekomen bij het hof 's-Gravenhage. Tegen de beschikking van 20 december 2002 heeft de man als grief aangevoerd:
"Gelijk is dit dus ook de grief tegen de verdeling van de gemeenschap, zoals die bij beschikking van 20 december 2002 is vastgesteld, aangezien volkomen ten onrechte aan geïntimeerde daarbij een bedrag van € 3.363,21 is toegescheiden en aan appellant een bedrag van € 13.000,--, zijnde de restantschuld op het krediet bij de Rabobank, hetgeen onredelijk is en dient te worden gecorrigeerd."(2)
1.8 De vrouw heeft verweer gevoerd en het hof verzocht de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de gemeenschap te handhaven.
1.9 Het hof heeft bij beschikking van 17 december 2003 onder meer als volgt overwogen (ik citeer de rov. 3 en 4):
"3. Bij het vaststellen van de verdeling van de gemeenschap neemt het hof in beginsel als uitgangspunt de door de rechtbank vastgestelde verdeling. Hoewel de man zich tegen die verdeling heeft verzet, heeft hij niet aannemelijk gemaakt - hetgeen op zijn weg had gelegen - dat van een andere verdeling moet worden uitgegaan, dan wel dat bij die verdeling van een verkeerde waardering van de bestanddelen is uitgegaan. Wellicht ten overvloede merkt het hof op dat de man in eerste aanleg niet heeft gereageerd op een voorstel van de vrouw tot verdeling en dat, noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, stukken met betrekking tot de activa en passiva zijn overgelegd, zodat de man het hof geen andere keuze laat dan van de door de rechtbank vastgestelde verdeling uit te gaan.
4. Ter zitting van het hof heeft de vrouw erkend dat zij ten tijde van het huwelijk samen met de man het krediet bij de Rabobank is aangegaan, zodat als uitgangspunt geldt dat er sprake is van een gemeenschapsschuld waarvoor beide partijen aansprakelijk zijn en derhalve op grond van de wet bij helfte door ieder der partijen moet worden gedragen. Zulks leidt ertoe dat de beschikking van 20 december 2002, uitsluitend voor zover - naar het hof begrijpt - de vordering van de Rabobank uit hoofde van het krediet op de betaalrekening bij de bank ten laste van de man is gebracht, moet worden vernietigd. Omdat de man ter zitting heeft medegedeeld dat het saldo van het krediet bij de Rabobank op 4 november 2002 € 12.834,- bedroeg en het huwelijk van partijen op 8 november 2002 is ontbonden, acht het hof het redelijk om het hiervoor genoemde bedrag in de verdeling te betrekken. Eveneens ter zitting heeft de man erkend dat hij ten tijde van het uiteengaan van partijen een auto (merk Suzuki Swift) in zijn bezit had, die - desgevraagd ter zitting - volgens hem op dat moment een waarde had van circa € 300,-. In aanvulling op de bestreden beschikking zal het hof derhalve de auto tegen die waarde aan de man toescheiden. Een ander heeft tot gevolg dat de man terzake van overbedeling aan de vrouw een bedrag van € 3.832,- dient te voldoen."
1.10 Het hof heeft (onder meer) de beschikking van 20 december 2002 vernietigd, doch uitsluitend voor zover daarbij is bepaald dat de kredietschuld op betaalrekening bij de Rabobank aan de man wordt toegedeeld. Voorts heeft het hof bepaald:
"dat ten laste van ieder der partijen wordt gebracht:
de helft van de kredietschuld op betaalrekening bij de Rabobank, zijnde in totaal € 12.834,-;"
en, in aanvulling op de beschikking van 20 december 2002:
"dat aan de man wordt toegedeeld een auto, merk Suzuki Swift, ter waarde van € 300,-;".
Ten slotte heeft het hof de man veroordeeld:
"om aan de vrouw terzake van overbedeling te betalen een bedrag van € 3.832,-"
1.11 De man heeft tijdig(3) beroep in cassatie van de beschikking van het hof ingesteld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het oordeel van het hof dat de man aan de vrouw een bedrag van € 3.832,- dient te voldoen, onbegrijpelijk is, omdat dit niet uit de overwegingen van het hof in rov. 4 volgt.
2.2 Het middel kan niet tot cassatie leiden. Uit de overwegingen van het hof vallen de uitgangspunten af te leiden die het hof aan zijn berekening ten grondslag heeft gelegd, zij het dat het hof de berekening zelf niet in de beschikking heeft opgenomen(4). Deze uitgangspunten zijn:
- de door de rechtbank vastgestelde verdeling dient als uitgangspunt (rov. 3, in samenhang met de door het hof onder de vaststaande feiten geciteerde verdeling zoals door de rechtbank vastgesteld), behalve voor wat betreft de toedeling aan de man van de gehele schuld aan de Rabobank (dictum); deze verdeling was geschied conform het voorstel van de vrouw in haar brieven van 6 en 28 november 2002 en hield, afgezien van de schuld aan de Rabobank, in dat aan de vrouw werden toegedeeld de inboedelgoederen ter waarde van € 1.500,- die zij in haar bezit had en de in de beschikking genoemde schulden voor een totaal van € 3.363,21 en dat aan de man werden toegedeeld de inboedelgoederen ter waarde van € 5.500,- die hij in zijn bezit had;
- de schuld bij de Rabobank bedroeg ten tijde van de ontbinding van het huwelijk € 12.834,- en dient bij helfte aan beide partijen te worden toegescheiden (rov. 4);
- aan de man wordt de auto tegen een waarde van € 300,- toegescheiden (rov. 4).
2.3 Over deze uitgangspunten wordt in cassatie niet geklaagd. Wanneer men zelf een berekening uitvoert, komt men, evenals het hof, uit op een overbedeling van de man.
Op grond van deze uitgangspunten is de vermogenspositie van partijen immers als volgt:
Vrouw:
inboedelgoederen: € 1.500,--+
diverse schulden: € 3.363,21-
schuld Rabobank: € 6.417,---
totaal: € 8.280,21schuld
Man:
inboedelgoederen: € 5.500,--+
schuld Rabobank: € 6.417,---
auto € 300,--+
totaal: € 617,--schuld
De man is dus ten opzichte van de vrouw voor een bedrag van € 7.663,21 overbedeeld. Van dit bedrag dient hij de helft, zijnde € 3.831,61 (afgerond € 3.832,-), aan de vrouw uit te keren.
Volledigheidshalve teken ik nog aan dat in de door de rechtbank bepaalde verdeling van een onderbedeling van de man sprake was. Indien wordt uitgegaan van de hiervoor vermelde waarden van de aan de vrouw respectievelijk de man toegescheiden inboedelgoederen en van de hiervoor vermelde bedragen van de schuld aan de Rabobank en de overige schulden, laat zich immers berekenen dat de door de rechtbank bepaalde verdeling in een schuld van per saldo € 1.863,21 voor de vrouw en in een schuld van per saldo € 7.334,- voor de man resulteerde. Door (i) toescheiding van de auto ter waarde van € 300,- aan de man, (ii) verdeling van de schuld aan de Rabobank bij helfte en (iii) uitkering van een bedrag van € 3.831,61 (afgerond € 3.832,-) door de man aan de vrouw wordt de onderbedeling van de man ongedaan gemaakt, zonder dat dit vervolgens tot een overbedeling van de man leidt.
2.4 Het oordeel dat de man aan de vrouw een bedrag van € 3.832,- dient te voldoen wegens overbedeling, volgt dus wel degelijk uit de overwegingen van het hof. Dit oordeel is dan ook niet onbegrijpelijk.
2.5 Aan de man kan ten slotte worden toegegeven dat de inboedelgoederen en de overige schulden in appel op zichzelf niet ter discussie stonden. Anders dan de man mogelijk veronderstelt, impliceert die omstandigheid echter niet dat het hof de waarde van de aan elk van beide partijen toegescheiden inboedelgoederen en het bedrag van de aan de vrouw toegescheiden schulden buiten beschouwing mocht laten, toen het (ten voordele van de man) de integrale toescheiding aan de man van de schuld aan de Rabobank en de daardoor ten nadele van de man ontstane onevenwichtigheid corrigeerde(5). Het hof is mijns inziens terecht ervan uitgegaan dat het de door de rechtbank bepaalde verdeling niet verder mocht corrigeren dan nodig was om de daarin besloten liggende onderbedeling van de man ongedaan te maken. Zonder uitkering door de man aan de vrouw wegens overbedeling zou de door het hof getroffen verdeling bij helfte van de schuld aan de Rabobank tot een nieuwe onevenwichtigheid (thans ten nadele van de vrouw) hebben geleid.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 De brief van 28 november 2002 bevindt zich niet in het door de man gefourneerde procesdossier, maar wel in het procesdossier van de vrouw, als prod. 2 bij het verweerschrift in appel.
2 Verzoekschrift in appel onder 6.
3 De bestreden beschikking dateert van 17 december 2003. Het verzoekschrift tot cassatie is op 16 maart 2004 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
4 Naar mijn mening geldt ook in een geval als het onderhavige dat de rechter niet gehouden is alle berekeningen in zijn beschikking op te nemen, mits uit de beschikking voldoende blijkt van welke gegevens de rechter gebruik heeft gemaakt. Zie HR 17 maart 2000, NJ 2000, 313, rov. 3.4.
5 Ik wijs in dit verband overigens op hetgeen de man bij verzoekschrift in appel onder 6 heeft gesteld. De man heeft de integrale toescheiding van de schuld aan de Rabobank niet geïsoleerd aan de orde gesteld, in die zin dat hij daarvan een verdeling bij helfte bepleitte, maar heeft aandacht gevraagd voor het feit dat, terwijl aan de vrouw een totaalschuld van € 3.363,21 was toegescheiden, aan hem een restantschuld was toegescheiden van (volgens het verzoekschrift in appel) € 13.000,-