ECLI:NL:PHR:2005:AS4689
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vordering verkeersgegevens op grond van artikel 126n oud Sv bij moordonderzoek
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad over de rechtmatigheid van een vordering op grond van artikel 126n oud Wetboek van Strafvordering (Sv) tot het verkrijgen van telecommunicatiegegevens in een moordonderzoek. De verdediging voerde aan dat het bevel onrechtmatig was omdat het gebaseerd was op een enkele mogelijkheid van telefonische contacten rond het tijdstip van het misdrijf, zonder dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld van een bij naam bekende verdachte zoals vereist volgens artikel 27 Sv Pro.
De Hoge Raad stelt vast dat het vermoeden in artikel 126n oud Sv niet gelijk is aan het redelijk vermoeden van schuld in artikel 27 Sv Pro. Voor toepassing van artikel 126n is het voldoende dat er een beredeneerde mogelijkheid bestaat dat een verdachte aan het telecommunicatieverkeer heeft deelgenomen, ook als deze verdachte nog niet geïndividualiseerd is. Het hof heeft op basis van de feiten, waaronder het sporenbeeld, het ontbreken van zicht op daders en het feit dat het slachtoffer alleen woonde, geoordeeld dat er voldoende grond was voor een vermoeden in deze zin.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de vordering niet onrechtmatig was en dat de verwerping van het bewijsuitsluitingsverweer terecht was. Ook het verbeurdverklaren van een GSM-telefoon van verdachte is volgens de Hoge Raad correct gemotiveerd, mede omdat uit het telefoonverkeer bleek dat verdachte en mededaders onderling contact hadden. De middelen van cassatie worden verworpen en het beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vordering tot verstrekking van verkeersgegevens op grond van artikel 126n oud Sv rechtmatig was en verwerpt het cassatieberoep.