ECLI:NL:PHR:2005:AS5554

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02017/04 E
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10.19 Wet milieubeheerArt. 10.21 Wet milieubeheerArt. 4.3.3.11 Provinciale milieuverordening Zuid-HollandRichtlijn 75/442/EEGVerordening (EEG) nr 259/93
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest inzake ontdoen van bedrijfsafvalstoffen door dempen sloot met houtsnippers

In deze zaak stond de vraag centraal of het dempen van een sloot met versnipperd snoeiafval valt onder hergebruik, terugwinning of andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen volgens de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland en de Wet milieubeheer.

Het hof had geoordeeld dat het dempen van een sloot met houtsnippers niet als hergebruik kan worden aangemerkt en veroordeelde verzoekster voor het opzettelijk ontdoen van bedrijfsafvalstoffen. Verzoekster voerde aan dat de houtsnippers op de Groene lijst van afvalstoffen stonden en bestemd waren voor nuttige toepassing.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte het begrip hergebruik te eng heeft uitgelegd door alleen te kijken naar het feitelijke gebruik en niet naar de bestemming van de afvalstoffen. Bovendien was het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd over de vraag of de houtsnippers wel als Groene lijst-afvalstof konden worden aangemerkt.

De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar een ander gerechtshof voor hernieuwde beoordeling van het hoger beroep op basis van de juiste rechtsopvattingen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 02017/04 E
Mr. Jörg
Zitting 1 februari 2005
Conclusie inzake:
[verzoekster=verdachte](1)
1. Verzoekster is door het gerechtshof te 's-Gravenhage, economische kamer, bij arrest van 28 januari 2004 wegens "opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 10.19, eerste lid, (oud) van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon" veroordeeld tot een geldboete van € 340,-, waarvan € 170,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verzoekster heeft mr. B.-J.W. Walraven bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Alvorens de middelen te bespreken zal ik, ter verduidelijking, bespreken waar het in deze zaak om gaat (§ 4-6) en wat het wettelijke kader is waarbinnen de zaak moet worden beoordeeld (§ 7-11).
4. Ten laste van verzoekster is bewezenverklaard dat:
"zij in de periode van 7 december 1999 tot en met 8 december 1999 te Rhoon, gemeente Albrandswaard, opzettelijk, zich door afgifte aan [A] B.V., van bedrijfsafvalstoffen, te weten een hoeveelheid houtsnippers, heeft ontdaan"
5. In de bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat (bewijsmiddelen 1 en 3):
(i) werknemers van verzoekster snoeiwerkzaamheden hebben verricht in de gemeente Rhoon;
(ii) het vrijgekomen snoeiafval (hout) is versnipperd;
(iii) de houtsnippers zijn opgehaald door transportbedrijf [A] B.V.;
(iv) de houtsnippers zijn gebruikt voor het dempen van een sloot.
6. Het hof heeft in de bestreden uitspraak een namens verzoekster ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Zijdens verdachte is aangevoerd dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is, aangezien de afvalstoffen zijn afgegeven aan een persoon die ingevolge de krachtens artikel 10.21 van de Wet milieubeheer vastgestelde provinciale verordening bevoegd was de betrokken afvalstoffen in te zamelen. Immers, het betrof afvalstoffen als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, bij de verordening, die niet waren gemengd met eerdere (lees: andere; NJ) stoffen of afvalstoffen en bestemd waren voor een nuttige toepassing.
Het hof verwerpt dit verweer, aangezien daarin wordt miskend dat ingevolge de betreffende bepaling in de verordening de vrijstelling slechts geldt voor zover de groene-lijststoffen bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen. Blijkens het proces-verbaal staat vast dat bedoelde houtsnippers zijn gebruikt om een sloot te dempen. Dat valt niet onder hergebruik, terugwinning of het verkrijgen van secundaire grondstoffen."
7. Art 10.19 Wet milieubeheer luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit:
"1. Het is verboden zich door afgifte aan een ander te ontdoen van bedrijfsafvalstoffen of van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen.
2. Het verbod geldt niet indien die afvalstoffen worden afgegeven aan een persoon:
a. die krachtens artikel 10.21 bevoegd is de betrokken afvalstoffen in te zamelen;
b. die krachtens hoofdstuk 8, een krachtens artikel 10.2, tweede lid, verleende vrijstelling, dan wel een krachtens artikel 10.27 verleende vergunning bevoegd is de betrokken afvalstoffen te verwijderen;
(...)
3. In afwijking van het tweede lid kan, indien in de provinciale milieuverordening regels worden gesteld als bedoeld in artikel 10.21, in die verordening worden bepaald dat de daarbij aangewezen categorieën van bedrijfsafvalstoffen, dan wel ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen slechts mogen worden afgegeven aan een persoon als bedoeld in het tweede lid, onder a. In een zodanig geval geldt het in het eerste lid gestelde verbod - in afwijking van het eerste lid - slechts niet voor een persoon als bedoeld in het tweede lid, onder a."
8. Art 10.21 Wet milieubeheer luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit:
"1. Bij de provinciale milieuverordening kunnen, indien de doelmatige verwijdering van bij de verordening aangegeven categorieën van bedrijfsafvalstoffen dan wel van ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen van meer dan gemeentelijk belang is, regels worden gesteld omtrent de inzameling van die afvalstoffen.
2. Hiertoe kunnen in ieder geval behoren regels, inhoudende een verbod tot inzamelen zonder vergunning van gedeputeerde staten van de provincie waarin de inzameling plaatsvindt.
3. Tot deze regels kunnen in ieder geval ook behoren:
a. regels met betrekking tot de wijze waarop de in de verordening aangewezen categorieën van afvalstoffen moeten worden ingezameld, alsmede regels inzake het door gemeenten of de provincie voor die inzameling treffen van maatregelen of totstandbrengen en instandhouden van voorzieningen;
b. een aanwijzing van de gemeenten die bij de inzameling van in de verordening aangewezen categorieën van afvalstoffen dienen samen te werken, alsmede regels ter verwezenlijking van die samenwerking; op de aanwijzing van gemeenten is artikel 7, tweede lid, eerste volzin, van de Wet gemeenschappelijke regelingen van overeenkomstige toepassing.
4. Voor zover het regels betreft als bedoeld in het derde lid, onder a, kan bij de verordening worden aangegeven binnen welke termijn die regels moeten worden uitgevoerd."
9. Art. 4.3.3.11 van de Provinciale milieuverordening Zuid Holland (hierna: PmvZH) luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit:
"1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen in te zamelen die behoren tot een categorie die is genoemd in bijlage 4, onderdeel B.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:
a. een persoon die staat vermeld op een door Gedeputeerde Staten vastgestelde lijst van inzamelbedrijven;
b. de inzameling van afvalstoffen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4, onderdeel C, voor zover deze afvalstoffen niet zijn gemengd met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie, en bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen."
10. Bijlage 4 bij de PmvZH hield onder C onder het hoofd "Categorieën van afvalstoffen waarvoor vrijstellingen gelden op grond van de artikelen 4.3.3.11 (inzamelregeling), 4.3.3.13 (afvalstroomnummer), 4.3.3.15 (omschrijvingsformulier), 4.3.3.18 (meldingsregeling) en 4.3.3.25 (exportverbod)" in:
"1. Afvalstoffen genoemd in de Groene lijst van afvalstoffen
2. Lederwaren en lederen voorwerpen
3. Steenwol
4. Droge toners, tonercassettes en printerlinten"
11. De "Groene lijst van afvalstoffen" waarnaar in de PmvZH wordt verwezen, wordt gevormd door bijlage II bij Verordening (EEG) nr 259/93 van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap.(2) Op deze lijst staat achter de letter J met de aanduiding "Afval van niet behandeld kurk en hout", nummer 440130, in de bij deze conclusie gevoegde uitdraai daarvan op p. 39, vermeld:
"Zaagsel, afval en restanten van hout, ook indien geperst tot blokken, briketten, pellets of dergelijke vormen"
12. Ik vat het eerste, moeilijk te doorgronden, middel in die zin op dat daarin twee klachten besloten liggen. In de eerste plaats zou het hof ten onrechte niet hebben beslist op het verweer dat er sprake is van een afvalstof die is genoemd in de "Groene lijst van afvalstoffen." In de tweede plaats zou het hof zich slechts gedeeltelijk met een conclusie van de getuige [getuige 1] hebben verenigd omtrent het juridische karakter van de houtsnippers.
13. De onder 9 weergegeven uitzonderingsbepaling van art. 4.3.3.11, tweede lid, onder b, PmvZH bevat drie - naar luid van de bepaling: cumulatieve - voorwaarden voor toepasbaarheid. Deze voorwaarden houden in dat het moet gaan om afvalstoffen die:
1. behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage 4 onderdeel c;
2. niet gemengd zijn met andere stoffen of afvalstoffen die behoren tot een andere categorie;
3. bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen.
14. Het hof heeft geoordeeld dat de uitzonderingsbepaling niet van toepassing is (reeds) omdat aan de derde voorwaarde niet is voldaan. Het hof heeft in het midden laten of aan de twee andere voorwaarden is voldaan. Dat kon het hof ook doen, nu zijn oordeel de verwerping van het verweer zelfstandig kan dragen. De eerste klacht van het middel faalt.
15. Aangaande de tweede klacht zij het volgende opgemerkt. Het hof heeft in de bijlage bewijsmiddelen als bewijsmiddel 3 opgenomen een aanvullend proces-verbaal van 5 juli 2000 van A.J. den Besten en een andere bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende:
"Het dempingsmateriaal [d]at gebruikt is betreft houtsnippers afkomstig van het snoeien van bomen. Dit is bewerkt snoeihout. Deze houtsnippers zijn afvalstoffen welke niet als groene lijststoffen worden aangemerkt. (...)"
16. Een getuigenverklaring mag een mededeling van feiten en omstandigheden behelzen, die de getuige zelf waargenomen of ondervonden heeft.(3) Conclusies zijn niet geoorloofd; daarmee gaat een getuige zijn taak te buiten. Het is immers de taak van de rechter om uit het beschikbare bewijsmateriaal conclusies te trekken.(4) Het hiervoor weergegeven bewijsmiddel bevat een ontoelaatbare conclusie. De getuigen hadden een beschrijving kunnen en mogen geven van de door hen aangetroffen stoffen, zoals zij in de eerste zin van hun verklaring ook hebben gedaan. Het was echter aan de rechter om op basis van die beschrijving te beoordelen of er sprake was van een afvalstof als genoemd in de "Groene lijst van afvalstoffen." In plaats daarvan hebben de verbalisanten de conclusie getrokken dat niet van een `Groene lijst-stof' sprake is.
17. Een en ander zou niet tot cassatie behoeven te leiden indien de door de opsporingsambtenaren getrokken conclusie zou kunnen worden vereenzelvigd met een door het hof zelf gemaakte gevolgtrekking.(5) Die gevolgtrekking heeft het hof nu juist niet gemaakt, want: in het midden gelaten, zoals hiervoor, onder 14, uiteengezet. Door het verweer "reeds" te verwerpen wegens het gebruik dat van de houtsnippers is gemaakt, heeft het hof in het midden gelaten of is voldaan aan de eerste onder 13 geformuleerde voorwaarde: was dit een `Groene lijst-stof' of niet? Gelet daarop ligt de getrokken conclusie naar mijn mening niet in de bestreden uitspraak besloten.(6) Op grond van het voorgaande acht ik de bestreden uitspraak ten aanzien van de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd. Voorzover het middel daarover bedoelt te klagen, is het terecht voorgesteld.
18. In het tweede middel wordt geklaagd het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de houtsnippers niet waren bestemd voor hergebruik, terugwinning of het verkrijgen van secundaire grondstoffen. Het derde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het dempen van een sloot niet valt onder hergebruik, terugwinning of het verkrijgen van secundaire grondstoffen. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
19. Het hof heeft blijkens zijn onder 6 weergegeven overwegingen het verweer verworpen omdat het dempen van een sloot niet valt aan te merken als hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen.
20. Met de steller van het middel ben ik van mening dat het hof twee dingen door elkaar haalt. Aan de ene kant staat de vraag of het gaat om afvalstoffen die zijn bestemd(7) voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen. Aan de andere kant staat de vraag wat er uiteindelijk met die afvalstoffen is gedaan. Deze vragen staan los van elkaar.(8) Afvalstoffen kunnen bestemd zijn voor hergebruik, maar uiteindelijk toch op geheel andere wijze worden gebruikt. 's Hofs oordeel dat er geen sprake is van voor hergebruik etc. bestemde afvalstoffen omdat de afvalstoffen in kwestie zijn gebruikt voor het dempen van een sloot, kan dan ook geen stand houden.
21. Het tweede middel slaagt, terwijl het derde middel op grond van het voorgaande geen (verdere) bespreking behoeft.
22. De middelen deels gegrond bevindend, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Voorheen: [...] V.O.F.
2 Toelichting op de PmvZH (april 1998), p. 66.
3 Vgl. art. 342, eerste lid, Sv.
4 Vgl. Corstens, handboek, 4e, p. 630-631 en de daar genoemde jurisprudentie.
5 Vgl. HR 3 januari 1984, NJ 1984, 443, HR 24 februari 1987, NJ 1987, 1020 en HR 12 januari 1999, NJ 1999, 247.
6 Een dergelijke gevolgtrekking zou ook nadere motivering behoeven. Met de steller van het middel ben ik van mening dat bijv. niet zonder meer duidelijk is waarom de onderhavige houtsnippers niet zouden kunnen worden aangemerkt als "afval van niet behandeld hout" in de zin van de onder 11 bedoelde bijlage.
7 Van Dale geeft als betekenis van bestemmen: een doel hebben.
8 Het dempen van een sloot met afvalstoffen valt dan ook onder een andere bepaling: art. 10.2 (oud) Wet milieubeheer (waarin een verbod is opgenomen van het zich ontdoen van afvalstoffen door deze buiten een inrichting op of in de bodem te brengen).
Eén van de geliefde vormen van hergebruik van versnipperde boomtakken is overigens nu juist het in een dikke laag op de bodem brengen van die houtsnippers teneinde aldus op milieuvriendelijker wijze dan door het hanteren van de gifspuit het welig tierende onkruid de baas te blijven. U leest het goed: hier spreekt een ervaringsdeskundige.