ECLI:NL:PHR:2005:AS5866

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02267/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 SrArt. 29 PaspoortwetArt. 123 Wegenverkeerswet 1994Art. 54 PaspoortwetArt. 107 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt vrijspraak wegens onjuiste uitleg begrip reisdocument in valsheid in geschrifte

Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch sprak verdachte vrij van het bezit van een vals Somalisch studentenpaspoort, omdat het paspoort in de tenlastegelegde periode was verlopen en volgens het hof daardoor geen reisdocument meer was in de zin van art. 231 Sr Pro.

Het openbaar ministerie stelde cassatie in tegen deze vrijspraak en voerde aan dat het begrip reisdocument in art. 231 Sr Pro niet beperkt is tot geldige documenten. De Hoge Raad onderschreef dit standpunt en oordeelde dat noch de tekst noch de parlementaire geschiedenis van art. 231 Sr Pro steun biedt voor het vereiste van geldigheid.

De Hoge Raad benadrukte dat ook verlopen, maar vals of vervalst, reisdocumenten nog steeds als identificatiemiddel kunnen worden misbruikt en daardoor strafbaar zijn. De vrijspraak werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling.

Deze uitspraak verduidelijkt de uitleg van het begrip reisdocument in het strafrecht en bevestigt dat de geldigheidsduur niet bepalend is voor de strafbaarheid van het bezit van een vals of vervalst reisdocument.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak en verwijst de zaak terug wegens onjuiste uitleg van het begrip reisdocument in art. 231 Sr.

Conclusie

Nr.02267/04
Mr. Jörg
Zitting 1 februari 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 2 juli 2004 de verdachte [verdachte] vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde.
2. Het cassatieberoep is ingesteld door het openbaar ministerie. De advocaat-generaal mr. A.J.Th.M. Franken-van Zinniq Bergmann heeft bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt erover dat het hof een onjuiste c.q. onbegrijpelijke betekenis heeft toegekend aan het begrip reisdocument zoals bedoeld in art. 231 Sr Pro en als gevolg daarvan ten onrechte tot een vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde feit is gekomen.(1)
4. Ten laste is gelegd - voor zover voor de behandeling van het middel van belang - dat verdachte:
"op of omstreeks de periode van 11 januari 2002 tot en met 14 januari 2002 te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg, in het bezit was van een reisdocument, te weten een (Somalisch) (studenten)paspoort, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was."
5. Art. 231, tweede lid, Sr luidt - voor zover van belang -:
"Met dezelfde straf(2) wordt gestraft hij die in het bezit is van een reisdocument waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is ()."
6. Het hof heeft de vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde als volgt gemotiveerd:
"Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat het paspoort in de in de tenlastelegging genoemde periode reeds verlopen was zodat niet gezegd kan worden dat dit paspoort een reisdocument in de zin van artikel 231, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht was."
7. In de toelichting op het middel wordt een aantal argumenten aangedragen voor de stelling dat voor het begrip reisdocument in art. 231 Sr Pro niet bepalend is of het zijn geldigheidsduur heeft verloren.
8. Ten eerste wordt betoogd dat de wetgever een dergelijke voorwaarde niet vereist. Zo de wetgever een dergelijke beperking voor ogen staat pleegt zij deze expliciet in de delictsomschrijving op te nemen, zoals bij art. 107, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 (rijbewijsplicht), in welk artikel uitdrukkelijk staat opgenomen dat het rijbewijs zijn geldigheid niet mag hebben verloren.
9. Ten tweede wordt betoogd dat het oordeel van het hof onverenigbaar is met de tekst van de wet en/of de bedoeling van de wetgever. Blijkens de Memorie van Toelichting (bij de Paspoortwet) zou de wetgever welbewust geen definitie van een reisdocument hebben willen opnemen aangezien een reisdocument ook een belangrijke rol speelt als identificatiedocument van de houder, bijvoorbeeld bij geldhandelingen. Door deze 'nevenfuncties' van het paspoort, die ook met een verlopen paspoort kunnen worden verwezenlijkt, is het van belang dat ook het in het bezit hebben van een verlopen, maar toch vals of vervalst paspoort, strafbaar is en blijft. Dat de wetgever het belang van een verlopen paspoort onderkent moge blijken uit art. 29 Paspoortwet Pro. Hierin is bepaald dat indien een aanvrager een paspoort wil krijgen alle Nederlandse of buitenlandse reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld ter inzage dienen te worden overgelegd, ongeacht of hun geldigheidsduur is verstreken.
10. Voor 's hofs (in de motivering van de vrijspraak vervatte) opvatting is in de wetsgeschiedenis geen steun te vinden. In de gehele parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met bestrijding met fraude met paspoorten en andere reisdocumenten(3), waarbij art. 231 Sr Pro op 1 augustus 1989 is gewijzigd, is geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de stelling dat de geldigheidsduur van reisdocumenten als voorwaarde dient te gelden voor het strafbare bezit van een vals of vervalst reisdocument als bedoeld in art. 231 Sr Pro.
11. Dat de wetgever dit (impliciet) bedoeld zou hebben is ook zeer onwaarschijnlijk te achten. In de Memorie van Toelichting bij de Paspoortwet(4) staat te lezen:
"Tenslotte moet worden gewezen op de niet onbelangrijke functie, die het reisdocument en in het bijzonder het paspoort in het maatschappelijke verkeer heeft gekregen als identiteitsbewijs en legitimatiemiddel, bijvoorbeeld voor het opnemen van geld bij bank of postkantoor. Dat het paspoort deze functie heeft gekregen, vindt zijn oorzaak in het feit dat Nederland geen nationaal identiteitsbewijs kent. Deze omstandigheid draagt overigens in niet geringe mate bij tot een frauduleus gebruik van het reisdocument."
12. Ook een vals of vervalst reisdocument waarvan de geldigheidsduur verstreken is, kan, ge- of misbruikt als identificatiemiddel bij frauduleuze geldhandelingen bij geldinstellingen, grote financiële en maatschappelijke schade aanrichten.
13. Bovendien is 's hofs rechtsopvatting van het begrip reisdocument in art. 231 Sr Pro onbegrijpelijk. Als geldigheid(sduur) een voorwaarde zou zijn voor strafbaar bezit van een vals of vervalst reisdocument, zou men mijns inziens nooit aan een bewezenverklaring van art. 231, tweede lid, Sr kunnen toekomen. Immers, verliezen reisdocumenten (en rijbewijzen), beiden rijkseigendom, niet altijd hun geldigheid c.q. geldigheidsduur als daarin onbevoegd wijzigingen of aanvullingen worden aangebracht (zie art. 123, eerste lid onder b, Wegenverkeerwet 1994 en art. 54, eerste lid onder c, Paspoortwet). Een vals of vervalst reisdocument is per definitie ongeldig.
14. Het middel slaagt.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Tegen de vrijspraak van het primair tenlastegelegde richt het cassatieberoep zich niet.
2 Gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
3 Tweede Kamer 1987-1988, 20 652 (Stb. 1989, 189).
4 Tweede Kamer 1987-1988, 20 393, nr. 3, p. 20-21.