ECLI:NL:PHR:2005:AS5933
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt schadeloosstelling en proceskostenverdeling bij onteigening voor Westerscheldetunnel
In deze onteigeningszaak vorderde de Staat der Nederlanden onteigening van twee percelen bouwland van eiser ten behoeve van de aanleg van de Westerscheldetunnel. De Rechtbank Middelburg sprak de onteigening uit en stelde de schadeloosstelling vast op € 97.215, waarbij de proceskosten werden gecompenseerd zodat elke partij zijn eigen kosten draagt.
Eiser stelde cassatieberoep in tegen de vaststelling van de schadeloosstelling en de proceskostenverdeling. Hij betoogde onder meer dat de deskundigen ten onrechte hogere verkoopprijzen van vergelijkbare percelen buiten beschouwing hadden gelaten, dat de waardevermindering van het overblijvende perceel onjuist was vastgesteld en dat de rechtbank onterecht van de hoofdregel inzake proceskosten was afgeweken.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank en deskundigen voldoende gemotiveerd hadden waarom bepaalde transacties niet representatief waren voor de marktwaarde, dat de waardebepaling en de vaststelling van de waardevermindering niet onbegrijpelijk waren, en dat de compensatie van proceskosten binnen de beoordelingsvrijheid van de feitenrechter viel. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het vonnis van de Rechtbank Middelburg wordt bevestigd.