ECLI:NL:PHR:2005:AS6017
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Oordeel over rechtsgeldigheid mondeling opgelegd rijverbod en vereisten vastlegging volgens Wegenverkeerswet 1994
De zaak betreft een verdachte die op 2 augustus 2002 in Amsterdam werd aangetroffen terwijl hij onder invloed van alcohol een voertuig bestuurde ondanks een opgelegd rijverbod. Het hof veroordeelde hem wegens overtreding van artikel 8 en Pro artikel 162 lid 3 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 tot een taakstraf en ontzegging van de rijbevoegdheid.
De verdediging stelde onder meer dat het rijverbod niet rechtsgeldig was omdat het mondeling was opgelegd zonder schriftelijke beschikking en dat er geen blaastest was uitgevoerd. De Hoge Raad oordeelt dat het rijverbod rechtsgeldig is vanaf het moment van mondelinge oplegging en dat een blaastest niet noodzakelijk is voor het opleggen van een rijverbod; andere feiten en omstandigheden kunnen daartoe aanleiding geven.
Verder wordt geoordeeld dat iemand die niet meer achter het stuur zit, maar nog onder invloed verkeert, toch als bestuurder kan worden aangemerkt zolang het gevaar voor de verkeersveiligheid voortduurt. Het ontbreken van schriftelijke vastlegging doet aan de geldigheid van het rijverbod niets af, omdat deze vastlegging vooral dient voor de zekerheid over het tijdvak van het verbod.
De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen en bevestigde daarmee het oordeel van het hof, waarmee het rijverbod en de daarop gebaseerde veroordeling standhouden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtsgeldigheid van het mondeling opgelegde rijverbod en bekrachtigt de veroordeling van verdachte wegens overtreding van het rijverbod en rijden onder invloed.