ECLI:NL:PHR:2005:AS7017
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid vervroegde opeisbaarheid kredietbeding bij achterstalligheid in maanden
Defam Credit B.V. sloot op 5 mei 1999 een doorlopend kredietovereenkomst met [verweerster], waarbij een krediet tot ƒ 29.500 werd verstrekt tegen een effectief kredietpercentage van 7,5% per jaar. De overeenkomst bevatte algemene voorwaarden waarin vervroegde opeisbaarheid van het krediet werd bedongen indien de kredietnemer na ingebrekestelling achterstallig was in betaling van ten minste twee maanden.
Na ingebrekestelling in januari 2002 eiste Defam in april 2002 het gehele saldo vervroegd op wegens achterstalligheid. De rechtbank wees de vordering deels toe en oordeelde dat het beding in strijd was met artikel 33 van Pro de Wet op het consumentenkrediet (WCK), omdat het vervroegde opeisbaarheid koppelde aan het aantal niet-betaalde termijnen in plaats van de duur van achterstalligheid in maanden.
Het hof bekrachtigde dit oordeel in hoger beroep. Defam stelde in cassatie dat het beding wel correct was geformuleerd en aansloot bij de wettelijke vereisten. De Hoge Raad overwoog dat het beding onduidelijk is en dat de uitleg van het hof dat 'maanden' gelijk zou zijn aan 'maandtermijnen' onbegrijpelijk is zonder nadere motivering. De wetgever heeft immers beoogd dat achterstalligheid in tijdsduur bepalend is, niet het aantal termijnen. Daarom is het beding nietig en moet het arrest worden vernietigd en verwezen.
Uitkomst: Het beding dat vervroegde opeisbaarheid koppelt aan het aantal niet-betaalde termijnen in plaats van de duur van achterstalligheid in maanden is nietig en het arrest van het hof wordt vernietigd en verwezen.