ECLI:NL:PHR:2005:AS7570
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid in hoger beroep bij overschrijding beroepstermijn en mededelingen griffie
In deze zaak werd de verdachte door de rechtbank veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van een strafbaar feit onder de Opiumwet. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in, maar dit gebeurde na het verstrijken van de wettelijke termijn van veertien dagen. De verdediging beriep zich op een mededeling van de griffie aan de secretaresse van de raadsman dat de zaak voor onbepaalde tijd was aangehouden, waardoor zij meenden dat de beroepstermijn nog niet was begonnen.
De Hoge Raad overwoog dat de wettelijke termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen van openbare orde zijn en dat overschrijding in principe leidt tot niet-ontvankelijkheid. Alleen bijzondere, niet aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden kunnen dit verontschuldigen. De mededeling van de griffie was niet zodanig dat deze het gerechtvaardigde vertrouwen kon wekken dat de beroepstermijn nog niet was aangevangen, mede gelet op de inhoud van de zitting en het feit dat het onderzoek was gesloten.
De Hoge Raad benadrukte dat van een raadsman mag worden verwacht dat hij de mededeling kritisch beoordeelt en nadere informatie inwint indien deze onlogisch lijkt. Het oordeel dat het vertrouwen op de mededeling niet gerechtvaardigd was, was niet onbegrijpelijk. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
Uitkomst: De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verontschuldigbare omstandigheden.