ECLI:NL:PHR:2005:AS8455
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaringstermijn medische aansprakelijkheid na postoperatieve visusvermindering
Op 6 april 1993 onderging verweerder een operatie aan een hypofysetumor waarbij een sponsachtig materiaal werd achtergelaten. Kort na de operatie trad ernstige visusvermindering op, met blijvende blindheid aan het rechteroog en gedeeltelijke blindheid aan het linkeroog. Verweerder stelde betrokkene 1, de neurochirurg, aansprakelijk wegens een vermeende beroepsfout in de behandeling.
De rechtbank stelde vast dat de vordering jegens betrokkene 1 was verjaard omdat verweerder vanaf 8 april 1993 bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon. Het hof bekrachtigde dit oordeel, maar eiseres stelde cassatieberoep in tegen het oordeel dat de verjaringstermijn reeds toen was aangevangen.
De Hoge Raad overwoog dat de korte verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW Pro pas begint te lopen op het moment dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen, hetgeen inhoudt dat voldoende zekerheid moet bestaan dat de schade is veroorzaakt door een tekortschietende medische behandeling. In casu was niet voldoende vastgesteld dat verweerder kort na 8 april 1993 daadwerkelijk bekend was met het bestaan van een beroepsfout.
Daarom werd het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing. Hiermee wordt erkend dat de verjaringstermijn niet reeds kort na de operatie is aangevangen, maar pas op het moment van daadwerkelijke bekendheid met de fout.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het juiste tijdstip van aanvang van de verjaringstermijn bij medische aansprakelijkheid, waarbij niet alleen bekendheid met de schade, maar ook met de aansprakelijke fout vereist is.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling.