ECLI:NL:PHR:2005:AS8854
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onrechtmatige telecommunicatieafluistering en bewijsuitsluiting bij sociale zekerheidsfraude
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd vrijgesproken van sociale zekerheidsfraude. Het hof had geoordeeld dat de opname van telecommunicatie onrechtmatig was omdat de vereiste machtigingen ontbraken. Hierdoor werd het verkregen bewijs, waaronder verklaringen van verdachte en partner, uitgesloten op grond van artikel 359a Sv. Omdat geen ander bewijs aanwezig was, sprak het hof verdachte vrij.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft vastgesteld dat het afluisteren zonder geldige machtiging plaatsvond en dat dit een vormverzuim is. Echter is het oordeel van het hof dat de doorzoeking en de daarop gebaseerde verklaringen het directe gevolg waren van de onrechtmatige tap onbegrijpelijk, aangezien het opsporingsonderzoek al een redelijke verdenking opleverde voordat de tap werd bevolen. Ook ontbreekt een nadere motivering waarom de verklaringen van verdachte en partner als besmet zouden gelden.
Voorts benadrukt de Hoge Raad dat bewijsuitsluiting een bevoegdheid is die in het licht van artikel 359a lid 2 Sv en de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd hoe het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel zijn afgewogen. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het beroep op het bestaande dossier.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.