ECLI:NL:PHR:2005:AS8913
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over uitvoerbaarverklaring bij voorraad van tussenuitspraken in civiele procedure
Deze zaak betreft een incident in het cassatieberoep van Stichting Vie d'Or tegen De Nederlandsche Bank N.V., rechtsopvolgster van de Stichting Verzekeringskamer, over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een tussenuitsprak van het hof Den Haag. De Stichting vertegenwoordigt voormalige polishouders van de failliete levensverzekeringsmaatschappij Vie d'Or en vordert spoedige schadevaststelling.
De Stichting verzoekt de Hoge Raad om het tussenvonnis van het hof uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zodat de schadevaststelling van elf representatieve oud-polishouders kan worden voortgezet, ondanks het cassatieberoep. De Verzekeringskamer verzet zich hiertegen en betoogt dat tussenuitspraken niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard kunnen worden en dat het gelijktijdig procederen in twee instanties problematisch is.
De Hoge Raad bevestigt dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad van tussenuitspraken wettelijk mogelijk is, verwijzend naar een arrest uit 1924 en literatuur. De beoordeling van een incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad moet een belangenafweging zijn waarbij het spoedeisend belang van de eiser wordt afgewogen tegen het belang van de verweerder en de eisen van een behoorlijke rechtspleging.
Gezien de omvang en complexiteit van de zaak, de mogelijke kosten en complicaties van gelijktijdige procedures in twee instanties, en het belang van een ordentelijke procesgang, concludeert de Advocaat-Generaal dat de vordering van de Stichting moet worden afgewezen. De tijdwinst wordt geschat op circa tien maanden, maar dit weegt niet zwaarder dan de nadelen.
De conclusie leidt tot afwijzing van de incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad, waarmee de schorsende werking van het cassatieberoep blijft bestaan.
Uitkomst: De incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het tussenvonnis wordt afgewezen.