ECLI:NL:PHR:2005:AS9225
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtstreekse schade en voeging erfgenamen in strafproces
In deze zaak is door het gerechtshof Amsterdam een verdachte veroordeeld wegens diefstal en is aan de benadeelde partij een schadevergoeding toegewezen. De verdachte stelde cassatie in tegen de toewijzing van de schadevordering, stellende dat er geen sprake was van rechtstreekse schade en dat de benadeelde partij niet gerechtigd was de schade van haar overleden moeder als eigen schade te vorderen.
De Hoge Raad bevestigde dat de wetgever niet beoogt dat erfgenamen zich op grond van art. 51a.1 Sv in het strafproces voegen voor schade die het slachtoffer heeft geleden, tenzij voldaan wordt aan de uitzonderingen in art. 51a.2 Sv. De benadeelde partij had echter rechtstreekse schade en was ontvankelijk om de vordering in te stellen. De vordering voor de door de moeder geleden schade kon niet via het strafproces worden ingediend, maar moet via de civiele rechter worden afgewikkeld.
Het arrest verduidelijkt de grenzen van voeging in strafzaken en benadrukt het onderscheid tussen rechtstreekse schade van de benadeelde partij en schade die via erfgenamen wordt geclaimd. De zaak is terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de schadevordering in zoverre deze betrekking heeft op de moeder.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover de schadevordering van de benadeelde partij betrekking heeft op de overleden moeder en verwijst de zaak terug naar het hof.