ECLI:NL:PHR:2005:AS9225

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01603/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51a SvArt. 108 Boek 6 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtstreekse schade en voeging erfgenamen in strafproces

In deze zaak is door het gerechtshof Amsterdam een verdachte veroordeeld wegens diefstal en is aan de benadeelde partij een schadevergoeding toegewezen. De verdachte stelde cassatie in tegen de toewijzing van de schadevordering, stellende dat er geen sprake was van rechtstreekse schade en dat de benadeelde partij niet gerechtigd was de schade van haar overleden moeder als eigen schade te vorderen.

De Hoge Raad bevestigde dat de wetgever niet beoogt dat erfgenamen zich op grond van art. 51a.1 Sv in het strafproces voegen voor schade die het slachtoffer heeft geleden, tenzij voldaan wordt aan de uitzonderingen in art. 51a.2 Sv. De benadeelde partij had echter rechtstreekse schade en was ontvankelijk om de vordering in te stellen. De vordering voor de door de moeder geleden schade kon niet via het strafproces worden ingediend, maar moet via de civiele rechter worden afgewikkeld.

Het arrest verduidelijkt de grenzen van voeging in strafzaken en benadrukt het onderscheid tussen rechtstreekse schade van de benadeelde partij en schade die via erfgenamen wordt geclaimd. De zaak is terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de schadevordering in zoverre deze betrekking heeft op de moeder.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover de schadevordering van de benadeelde partij betrekking heeft op de overleden moeder en verwijst de zaak terug naar het hof.

Conclusie

Nr.01603/04
Mr. Jörg
Zitting 8 maart 2005
Conclusie inzake:
[verzoekster=verdachte]
1. Verzoekster is door het gerechtshof te Amsterdam, nevenvestiging Leeuwarden, bij arrest van 23 december 2003 wegens diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 60 uur. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 13.985,95.
2. Namens verzoekster hebben mrs. G.P. Hamer en A.M. Ficq-Kengen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt erover dat het hof ten onrechte de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen, nu geen sprake zou zijn van rechtstreekse schade.
4. In het arrest heeft het hof een terzake gevoerd verweer - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - als volgt samengevat en verworpen:
"Van de zijde van verdachte is betoogd dat de vordering van de benadeelde partij niet betrekking heeft op schade die rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit aan de benadeelde partij is toegebracht, zodat de vordering niet kan worden toegewezen.
Het hof verwerpt dit verweer. Uit de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting blijkt voldoende dat verdachte wist dat met de door haar gestolen bankoverschrijvingsformulieren geld van de rekeningen van de benadeelde partij zou worden afgehaald. Dat verdachte niet wist welk bedrag op die formulieren zou worden ingevuld, staat niet in de weg aan het door art. 361 Sv Pro vereiste rechtstreekse verband tussen het bewezenverklaarde feit en de geleden schade."
5. Voor een vrijwel identieke zaak met een beslissing in de lijn van het Leeuwarder hof verwijs ik naar HR 29 januari 2002, te vinden onder LJN: AD7013 op de algemeen toegankelijke website www.rechtspraak.nl.
6. Het middel faalt derhalve.
7. Het tweede middel klaagt erover dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de benadeelde partij gerechtigd was om de schade die wijlen haar moeder heeft geleden als haar eigen schade te vorderen.
8. Het arrest houdt hierover het volgende in:
"Het hof acht voorts, op grond van de overgelegde verklaring van erfrecht, ook voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij ook gerechtigd is de schade die wijlen haar moeder heeft geleden als thans haar eigen schade te vorderen. Derhalve is de benadeelde partij ontvankelijk en kan deze worden toegewezen als hierna te melden."
9. Art. 51a, tweede lid, Sv luidt:
"Indien de in het eerste lid(1) genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen."
10. In onderhavige zaak staat vast dat de moeder van de benadeelde partij niet als gevolg van het strafbare feit is overleden. De dochter kan zich dus niet als erfgename onder algemene titel met betrekking tot de door haar moeder geleden schade als benadeelde partij voegen. Met andere woorden, de door de moeder geleden schade is niet als rechtstreekse schade bij de dochter onder te brengen (zie F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces, Studiepocket Strafrecht nr. 35, 2004, p. 59).
11. Dit laat natuurlijk onverlet dat de dochter, als erfgename onder algemene titel, de door wijlen haar moeder geleden financiële schade bij de burgerlijke rechter kan vorderen van verzoekster.
12. Het middel slaagt.
13. Het eerste middel faalt en leent zich voor toepassing van art. 81 RO Pro. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, nevenvestiging Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw te worden berecht.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit.