ECLI:NL:PHR:2005:AT1756

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01901/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 AbwArt. 141 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende bewijs bij voordeel trekken uit bijstandsfraude

De verdachte werd door het Hof Den Haag veroordeeld voor het meermalen opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van bijstandsfraude gepleegd door zijn partner, met wie hij een duurzame gezamenlijke huishouding voerde. Het Hof baseerde zijn oordeel op feiten zoals het samenwonen, de relatie, en het gezamenlijk gebruik van goederen en diensten.

De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het Hof niet voldoende had gemotiveerd dat sprake was van een duurzame gezamenlijke huishouding en dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen volgde. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel buiten behandeling kon blijven, maar dat het tweede middel slaagde omdat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat de verdachte wist dat goederen en diensten geheel of gedeeltelijk met misdrijf verkregen geld werden bekostigd.

De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het Hof voor hernieuwde behandeling. Er werden geen gronden gevonden om het arrest ambtshalve te vernietigen. De zaak betreft de uitleg van artikel 141 van Pro de Algemene Bijstandswet en de toepassing daarvan op het begrip gezamenlijke huishouding.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 01901/04
Mr. Vellinga
Zitting: 15 maart 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd, veroordeeld tot negen weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat Hof niet is ingegaan op het verweer dat er geen sprake is van een duurzame gezamenlijke huishouding in die zin dat er sprake is van een vervlochten financiële eenheid.
4. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
5. Doelmatigheidshalve bespreek ik het tweede middel voor het eerste middel.
6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
"hij te [plaats], meermalen, in de periode van 01 augustus 1996 tot en met 31 december 1999, althans in enig tijdvak in die periode, (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de opbrengst van geld, te weten de aan [betrokkene 1] verstrekte uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet, verkregen doordat die [betrokkene 1], het misdrijf heeft gepleegd zoals omschreven in artikel 141 Algemene Pro Bijstandswet, in elk geval door misdrijf verkregen, immers voerde hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding met voornoemde [betrokkene 1], die telkens met dat door dat misdrijf verkregen geld, goederen of diensten geheel of ten dele heeft bekostigd ten bate van die gezamenlijke huishouding en daarmee mede ten behoeve van hem, zulks terwijl hij, verdachte, telkens wist, dat die goederen of dienst(en) geheel of ten dele werden bekostigd met door dat misdrijf verkregen geld".
7. De bewijsmiddelen houden in dat:
- aan [betrokkene 1] als alleenstaande een bijstandsuitkering (Algemene Bijstandswet) is verstrekt in de periode van 13 februari 1995 tot 1 oktober 2000;
- door [betrokkene 1] ingevulde en ondertekende "inlichtingenformulieren herbeoordeling Algemene Bijstandswet" die betrekking hebben op in de periode 1996-2000 gelegen tijdvakken, als haar antwoord op vragen vermelden dat zij geen gezamenlijke huishouding voert, geen medebewoners heeft dan wel dat zij bij "Burgerlijke staat" niet heeft ingevuld "samenwonend";
- in door [betrokkene 1] maandelijks ingeleverde formulieren rechtmatigheidsonderzoek Abw" over de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 juli 2000 niet is opgegeven dat zij medebewoners had dan wel dat zij een gezamenlijke huishouding had gevoerd;
- [betrokkene 1] erkent dat zij deze formulieren heeft ingevuld;
- de verdachte in die periode een bedrijf in schotelantennes had en dat [betrokkene 1] daar altijd als werknemer aanwezig is geweest en zij een relatie hebben gekregen;
- [betrokkene 1] naar Hindoestaanse riten met de verdachte is getrouwd en in die periode met hem heeft samengewoond in haar woning aan de [a-straat] te [plaats] en andere (gewezen) bewoners bevestigen dat zij daar woonden, ook dat de verdachte altijd op dat adres was en hun beider auto's daar geparkeerd stonden;
- die relatie heeft geresulteerd in de geboorte van een dochter (geboren [geboortedatum] 1996) en die dochter in correspondentie van [betrokkene 1] en de verdachte over hun vakantie, "onze dochtertje" wordt genoemd;
- de dienst SoZaWe aangifte heeft gedaan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting uit de Algemene Bijstandswet omdat deze dienst aan de verdachte over de periode van 1 augustus 1996 tot en met 30 september 2000 geen, althans een lagere, uitkering had verstrekt indien het bekend was geweest met het feit dat zij samenwoonden.
8. De bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] telkens met door het misdrijf van art. 141 Abw Pro verkregen geld goederen of diensten geheel of ten dele heeft bekostigd ten bate van die gezamenlijke huishouding en daarmee mede ten behoeve van verdachte, zulks terwijl verdachte telkens wist dat die goederen of dienst(en) geheel of ten dele werden bekostigd met door dat misdrijf verkregen geld. Wat [betrokkene 1] met het door haar uit misdrijf verkregen geld deed laten de bewijsmiddelen helemaal open, laat staan dat daaruit valt af te leiden dat de verdachte wist dat met door [betrokkene 1] uit misdrijf verkregen geld mede ten dienste van de verdachte goederen en diensten werden bekostigd.
9. Hetgeen overigens in de toelichting op het middel wordt aangevoerd kan verder buiten beschouwing blijven.
10. Het tweede middel slaagt.
11. Na het voorgaande kan het eerste middel buiten behandeling blijven.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugverwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG