ECLI:NL:PHR:2005:AT2622

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C04/299HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 232 lid 1 RvArt. 337 lid 2 RvArt. 401a lid 2 RvArt. 106 lid 2 (oud) RvArt. 147 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring in cassatie wegens hoger beroep tegen tussenvonnis

In deze zaak is eiser in cassatie gekomen tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn hoger beroep tegen een tussenvonnis van de kantonrechter Rotterdam. Het tussenvonnis betrof een beslissing in een verzetprocedure tegen een verstekvonnis.

Het hof oordeelde dat het tussenvonnis een tussenvonnis in de zin van artikel 232 lid 1 Rv Pro is en dat hoger beroep slechts samen met het eindvonnis kan worden ingesteld, conform artikel 337 lid 2 Rv Pro zoals sinds 1 januari 2002 geldt. Eiser stelde dat het oude recht van toepassing zou zijn, maar de Hoge Raad bevestigde dat voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen beslissingen na de wetswijziging van 6 december 2001 het nieuwe recht geldt.

De Hoge Raad concludeert dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep omdat het hoger beroep tegen het tussenvonnis niet mogelijk was. Daarnaast faalden de middelen die stelden dat het hof zijn motiveringsplicht had geschonden en dat het recht op een eerlijk proces was geschonden door niet in te gaan op de memorie van grieven.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens hoger beroep tegen een tussenvonnis.

Conclusie

Rolnr. C04/299HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 25 maart 2005
conclusie inzake
[eiser]
tegen
[verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij dagvaarding van 3 juni 2003 is thans verweerster in cassatie, hierna: [verweerster], bij de rechtbank Rotterdam, sector kanton, in verzet gekomen tegen het vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 3 oktober 2000 waarbij [verweerster] bij verstek is veroordeeld om aan thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], te betalen f 334,85, vermeerderd met rente en kosten.
2. Nadat [eiser] bij conclusie van antwoord in oppositie had geconcludeerd [verweerster] niet-ontvankelijk te verklaren en het vonnis waarvan verzet te bekrachtigen, heeft de rechtbank Rotterdam, sector kanton, bij vonnis van 15 juli 2003, alvorens verder te beslissen, een comparitie van partijen tot het verstrekken van inlichtingen gelast.
3. [Eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
4. Bij arrest van 22 juni 2004 heeft het hof [eiser] niet ontvankelijk verklaard is zijn hoger beroep. Daartoe overwoog het hof onder meer:
"2. Vast staat dat in het bestreden vonnis niet omtrent enig deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde is gemaakt. Het vonnis moet derhalve worden aangemerkt als een tussenvonnis als bedoeld in artikel 232 lid 1 Rv Pro. Verder staat vast dat in het tussenvonnis niet is bepaald dat afzonderlijk hoger beroep daarvan mogelijk is. Dit betekent dat volgens de hoofdregel van artikel 337 lid Pro 2, zoals deze bepaling luidt sinds 1 januari 2002, hoger beroep slechts tegelijk met het eindvonnis kan worden ingesteld.
3. Hieraan staat niet in de weg dat het tussenvonnis is gewezen nadat door [verweerster] verzet is gedaan tegen het door de kantonrechter te Rotterdam tussen partijen gewezen verstekvonnis van 3 oktober 2000. Doorslaggevend is dat de in dit hoger beroep bestreden beslissing van de kantonrechter na 1 januari 2002, zijnde de dag van inwerkingtreding van de Wet tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, waarvan artikel 337 Rv Pro deel uit maakt, tot stand is gekomen."
5. [Eiser] is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met twee middelen. [Verweerster] is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
6. Het bestreden arrest van het hof is, nu daarbij [eiser] niet ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, een tussenarrest in de zin van art. 232 lid 1 Rv Pro. Het hof heeft in zijn arrest immers nog niet definitief over de zaak beslist, dat wil zeggen niet door een uitdrukkelijk dictum aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde een einde gemaakt (zie HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 709 en voorts HR 17 december 2004, RvdW 2005, 7).
7. Het arrest van het hof is totstandgekomen na de inwerkingtreding, op 1 januari 2002, van de Wet van 6 december 2001, Stb. 580, tot herziening van het procesrecht in burgerlijke zaken. Uit art. VII lid 2 van deze wet volgt dat ten aanzien van de mogelijkheid van het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een beslissing van een gerecht die na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is totstandgekomen de bij die wet vastgestelde bepalingen, waaronder de bepaling van art. 401a lid 2 Rv, van toepassing zijn (zie HR 31 januari 2003, NJ 2003, 656 en 657). Volgens art. 401a lid 2 Rv kan beroep in cassatie van het tussenarrest van het hof slechts tegelijk met het eindarrest worden ingesteld, aangezien het hof niet anders heeft bepaald en de overige in het artikel vermelde uitzonderingen evenmin van toepassing zijn (zie HR 26 maart 2004, NJ 2004, 655).
8. Uit dit een en ander volgt dat [eiser] in zijn cassatieberoep niet kan worden ontvangen.
9. Ten overvloede ga ik kort in op de voorgestelde middelen.
10. Beide middelen berusten kennelijk op de opvatting dat, nu ten aanzien van de verdere behandeling door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, van de zaak in de verzetprocedure krachtens art. VII lid 1 van de eerder genoemde Wet van 6 december 2001 het vóór de inwerkingtreding van deze wet geldende recht van toepassing is, dit recht tevens moet worden toegepast ten aanzien van de mogelijkheid van het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het tussenvonnis van 15 juli 2003.
11. Deze opvatting is onjuist. Door het verzet wordt de met het verstekvonnis geëindigde instantie heropend (zie HR 21 april 1995, NJ 1995, 682), waarna de instantie wordt voortgezet. Daarbij geldt het exploit van verzet als conclusie van antwoord (zie art. 106 lid Pro 2 (oud) Rv, thans art. 147 Rv Pro). Juist is derhalve dat de verdere behandeling door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, van de zaak na het na 1 januari 2002 ingestelde verzet ingevolge art. VII lid 1 van de Wet van 6 december 2001 plaatsvindt volgens het vóór die datum geldende recht. De vraag of tegen het na 1 januari 2002 in de verzetprocedure gewezen tussenvonnis hoger beroep openstaat, dient echter ingevolge art. VII lid 2 van de Wet van 6 december 2001 beantwoord te worden met toepassing van de sinds die datum geldende art. 337 lid 2 Rv Pro. 's Hofs oordeel dat deze bepaling van toepassing is op de vraag of tegen het tussenvonnis van 17 juli 2003 hoger beroep openstond, is derhalve juist.
12. Waar in cassatie - terecht - niet wordt bestreden het oordeel van het hof dat toepassing van het huidige art. 337 lid 2 Rv Pro meebrengt dat [eiser] in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 15 juli 2003 niet kan worden ontvangen, was het hof niet gehouden in te gaan op hetgeen [eiser] in zijn memorie van grieven naar voren heeft gebracht. Hieruit volgt dat ook de andere door de middelen aangevoerde klachten, die erop neerkomen dat het hof zijn motiveringsplicht heeft geschonden en heeft gehandeld in strijd met art. 6 EVRM Pro door niet in te gaan op hetgeen [eiser] in zijn memorie van grieven naar voren heeft gebracht, falen.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,