ECLI:NL:PHR:2005:AT2627
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onderhoudsverplichting vader jegens meerderjarige gehandicapte zoon met WAJONG-uitkering
In deze zaak vordert de meerderjarige zoon, die een WAJONG-uitkering ontvangt vanwege meervoudige handicap, een voortzetting van de onderhoudsbijdrage van zijn vader. De rechtbank en het hof wijzen het verzoek af omdat de zoon niet behoeftig is in de zin van art. 1:392 BW Pro. De zoon stelt dat de WAJONG-uitkering onvoldoende is vanwege extra kosten en dat de bijdrage ook een stukje extra levensvreugde zou betekenen.
Het hof overweegt dat de onderhoudsplicht voor meerderjarige kinderen alleen geldt bij daadwerkelijke behoeftigheid, waarbij het kind niet beschikt over voldoende middelen om in het levensonderhoud te voorzien. De WAJONG-uitkering is gebaseerd op het minimumloon en overstijgt de bijstandsnorm, zodat de zoon in zijn levensonderhoud kan voorzien. De door de zoon opgevoerde extra kosten zijn onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd.
De Hoge Raad bevestigt dat behoeftigheid in absolute zin moet worden beoordeeld en dat emotionele gronden geen grond vormen voor onderhoudsverplichting. Het hof heeft het verzoek terecht afgewezen omdat de zoon niet heeft aangetoond dat de WAJONG-uitkering onvoldoende is om noodzakelijke kosten te dekken. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de onderhoudsbijdrage wordt afgewezen wegens het ontbreken van behoeftigheid.