ECLI:NL:PHR:2005:AT2760
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over voorwaardelijk opzet bij poging zware mishandeling met vuurwapen
In deze zaak stond de vraag centraal of verdachte met het afvuren van een schot door een ruit van een woning, waarin zich op dat moment twee personen bevonden, voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de kogel een persoon zou raken, maar niet dat hij specifiek op een persoon had gericht. De Hoge Raad stelde echter vast dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kon worden afgeleid dat een van de personen zich ten tijde van het schot in de desbetreffende kamer bevond, waardoor het hof zijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd.
De conclusie bespreekt voorts de ontwikkeling in de jurisprudentie omtrent voorwaardelijk opzet, waarbij de Hoge Raad steeds strenger toetst aan de kwantificering van de aanmerkelijke kans en de normatieve betekenis van het begrip. Er wordt gewezen op eerdere arresten waarin de Hoge Raad benadrukt dat het begrip 'aanmerkelijke kans' niet afhankelijk mag zijn van de aard van het gevolg, maar dat in de praktijk toch factoren als de ernst van het gevolg en de aard van de gedraging een rol spelen.
De conclusie reflecteert kritisch op deze ontwikkeling en benadrukt het belang van een normatieve benadering van voorwaardelijk opzet, waarbij de maatschappelijke zorgplicht en het ontzag voor het menselijk leven een grotere rol dienen te spelen dan louter statistische kansberekening. De zaak illustreert de complexiteit van het toepassen van voorwaardelijk opzet in strafzaken, zeker wanneer het gaat om gedragingen met potentieel dodelijke gevolgen zoals het afvuren van een vuurwapen in een woning.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld voor poging tot zware mishandeling met een vuurwapen, waarbij het hof aannam dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat een persoon geraakt zou worden.