ECLI:NL:PHR:2005:AT2899
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gebruik van DNA-onderzoek in strafproces ondanks twijfel over ernstige bezwaren
In deze zaak stond centraal of de uitkomsten van DNA-onderzoek aan het van verdachte afgenomen lichaamsmateriaal als bewijs mochten worden gebruikt, terwijl de verdediging stelde dat het bevel tot bloedafname onrechtmatig was omdat niet voldaan zou zijn aan de vereiste van ernstige bezwaren zoals bedoeld in artikel 195d (oud) Sv.
De verdediging beriep zich op een eerdere beslissing van de rechtbank die de verlenging van de gevangenhouding had afgewezen met de overweging dat de verdenking en bezwaren niet meer in voldoende mate bestonden. Volgens de verdediging betekende dit dat ook het bevel tot bloedafname niet had mogen worden gegeven. Het hof oordeelde echter dat dit niet betekent dat er geen ernstige bezwaren meer waren en dat het bevel tot bloedafname rechtmatig was gegeven. Bovendien wees het hof erop dat tegen het bevel hoger beroep openstond, waarvan gebruik was gemaakt.
De Hoge Raad bevestigde het standpunt van het hof dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken niet onaanvaardbaar wordt doorkruist door niet opnieuw de rechtmatigheid van het bevel tot bloedafname te toetsen tijdens de behandeling ter terechtzitting. Tevens werd vastgesteld dat de overwegingen van de rechtbank bij de afwijzing van de verlenging van de gevangenhouding niet impliceren dat er geen ernstige bezwaren meer waren. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de resultaten van DNA-onderzoek als bewijs mogen worden gebruikt ondanks het verweer over het ontbreken van ernstige bezwaren bij het bevel tot bloedafname.