ECLI:NL:PHR:2005:AT3096
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst kamerhuur na overschrijding negen maanden termijn
Eiseres verhuurde sinds 1 juli 2000 een gemeubileerde voorkamer aan verweerder tegen een maandelijkse huurprijs. In het huurcontract was bepaald dat het gehuurde niet onderverhuurd mocht worden en uitsluitend als woning voor verweerder zelf mocht worden gebruikt. Verweerder liet zonder toestemming zijn ouders in de kamer verblijven, wat leidde tot een vordering van eiseres tot ontbinding van de huurovereenkomst wegens ernstige overlast en onverenigbaarheid van karakters.
De kantonrechter oordeelde dat de onrechtmatige bewoning door de ouders van verweerder ontbinding rechtvaardigde en sprak ontbinding en ontruiming uit. Het gerechtshof vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen van eiseres af, stellende dat de bepalingen van de wet inzake kamerverhuur na negen maanden van toepassing zijn en dat de belangenafweging van art. 7A:1623e lid 1 sub 6 BW (oud) niet van toepassing is.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatiemiddel van eiseres. Het hof had terecht geoordeeld dat de bepalingen voor beëindiging van huurovereenkomsten na negen maanden van toepassing zijn en dat de belangenafweging bij opzegging niet vereist is bij ontbinding. Daarmee blijft het arrest van het hof in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de belangenafweging van art. 7A:1623e lid 1 sub 6 BW (oud) niet van toepassing is bij ontbinding van een kamerhuurovereenkomst die langer dan negen maanden loopt.