ECLI:NL:PHR:2005:AT3192
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring weduwe in cassatieprocedure inzake koopovereenkomst appartementsrecht
In deze zaak gaat het om een koopovereenkomst van een appartementsrecht gesloten op 26 augustus 1999 tussen eiser en verweerder. De levering van het appartementsrecht vond later plaats dan overeengekomen vanwege bouwkundige gebreken en vertragingen veroorzaakt door nalatigheid van eiser. Verweerder vorderde nakoming en boetes wegens vertraging, welke door de rechtbank en het hof werden toegewezen.
Eiser overleed in 2003 in Egypte. Zijn weduwe, betrokkene 1, wenste het cassatieberoep voort te zetten als erfgenaam. Zij overlegde een akte van erfrecht volgens Egyptisch recht, maar kon niet aantonen dat zij als enig erfgenaam werd aangemerkt. De Hoge Raad stelde haar in de gelegenheid dit aan te tonen, maar concludeerde dat de overgelegde stukken onvoldoende waren.
De Hoge Raad verklaarde betrokkene 1 daarom niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep. De zaak betreft de toepassing van artikel 6:94 BW Pro inzake boetematiging, de uitleg van de erfgenamenstatus volgens buitenlands recht en de ontvankelijkheid in cassatieprocedures.
Uitkomst: De weduwe wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens onvoldoende bewijs van erfgenaamschap.