1 Zie de weergave van de naam in het bestreden arrest. In de cassatiedagvaarding wordt bij wijlen [betrokkene 1] en bij verweerders in cassatie kennelijk per abuis '[...]' vermeld. De familienaam bij eisers tot cassatie onder 2 t/m 8 wordt wél als '[...]' geschreven.
2 HR 26 januari 1996, nr. 15866, NJ 1996, 366.
3 Ontleend aan de in cassatie onbestreden rov. 1 van het arrest waarvan beroep. De onder a t/m g vermelde feiten staan vrijwel letterlijk ook zo in rov. 4.1 (i) t/m (vii) van het eerdere arrest van HR 26 januari 1996, nr. 15866, NJ 1996, 366.
4 Derhalve: in deze procedure hangende het geding in eerste aanleg. Zie ook het tussenvonnis van de rechtbank d.d. 15 december 1998 tot schorsing van het geding.
5 Zie ook het tussenvonnis van de rechtbank d.d. 23 juni 1999, onder 2, p. 3.
6 Het arrest dateert van 26 november 2003; de cassatiedagvaarding is uitgebracht op 23 januari 2004.
7 MvG, p. 6 onderaan.
8 Zie over dit arrest ook V. van den Brink, NbBW 2004/9, p. 128 en de kroniek van R.J.B. Boonekamp in TCR 2005/1.
9 Onderdeel 2.1 klaagt in dit verband alleen dat (de erven) [betrokkene 1] in feitelijke instanties heeft (hebben) aangeboden medewerking te verlenen aan 'tenaamstelling' ten behoeve van [verweerder] van de juiste helft van het melkquotum. Zoals hierna zal blijken, faalt die motiveringsklacht bij gebrek aan feitelijke grondslag wegens een te beperkte lezing van rov. 5.
10 Het onderdeel doelt hier op de thans vervallen regeling van 26 maart 1993, Stcrt. 1993, 60 zoals laatstelijk gewijzigd bij de regeling van 22 maart 2002, Stcrt. 60 (S&J 110-II 1994, p. 22 e.v. en S&J 110 2002, p. 85 e.v.), waarvan de citeertitel - voorheen: 'Beschikking superheffing 1993' - is gewijzigd bij de regeling van 25 januari 1996, Stcrt. 23 (i.w.tr. 3 februari 1996).
De Regeling superheffing 1993 is m.i.v. 1 april 2004 vervallen en vervangen door de bepalingen in de Regeling superheffing en melkpremie 2004 (regeling van 23 maart 2004, Stcrt. 2004, 60 zoals laatstelijk gewijzigd bij regeling van 2 april 2004, Stcrt. 2004, 68).
11 Thans art. 6, vierde lid, van de Regeling superheffing en melkpremie 2004.
12 Productie 2 bij MvA tevens houdende incidenteel appel.
13 Zie over de overdracht van melkquota (overgang van de referentiehoeveelheid) en (onder)verpachting van de voor de melkproductie gebruikte grond in de zin als bedoeld in artt. 15 t/m 23 Rs 1993 de Memo Superheffing 96/97 (Van Ittersum e.a.), Deventer 1996, p. 41-56 i.h.b. 50-52 (bedrijfsgebondenheid). Zie ook de toelichting bij de regelgeving inzake de superheffing in de losbladige Wetgeving Landelijk Gebied 3, p. 1 e.v. i.h.b. 12-23. Zie voor (lagere) jurisprudentie en toelichtingen bij eerdere regelgeving de losbladige Agrarisch grondverkeer 2, onderdeel C 3A (Pacht en superheffing), over de overdracht van grond met melkquota het algemeen commentaar in onderdeel C 7, par. 5.3.2.1 en i.h.b. p. C 7-5-8 e.v. en, tegen de achtergrond van Europese regelgeving en jurisprudentie van het Hof van Justitie EG, Agrarisch grondverkeer 3, onderdeel D (produktierechten), nrs. 78 e.v.
14 Zie de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel, onder 8 en in hun toelichting op de grieven 2 en 3, p. 8-9.
15 Onderdeel 2.3 behelst m.i. niet de rechtsklacht dat de overdracht van het melkquotum aan [verweerder] c.s. voor de duur van tenminste één jaar door middel van een pachtovereenkomst en onderverpachting van de gronden aan derden rechtens ongeoorloofd zou zijn.
16 Vgl. HR 6 juni 2003, nr. C02/058, NJ 2003, 707 m.nt. DA ([...]/[...] c.s.), rov. 3.1.7.
17 Vgl. bijv. HR 11 januari 2002, nr. C00/101, NJ 2002, 82 (Gen. Accident/[...]), rov. 3.3.2, laatste alinea en rov. 3.4.
18 Verwezen wordt naar de MvA in het incidenteel appel, onder 3 (zie p. 3 aldaar).
19 Zie vorige noot.
20 Verwezen wordt naar de conclusie van antwoord, p. 9 onder 'Ad 14'.
21 Vgl. het eerder vermelde arrest van HR 11 januari 2002, C00/101HR, NJ 2002, 82.
22 Producties 1 en 2 bij memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel.
23 Zie de conclusie van antwoord onder 5 en onder 8, p. 9 ('Ad 15'); conclusie van dupliek onder 4, p. 6 en memorie van grieven, p. 3 midden.
24 Zie de conclusie van dupliek onder 4, p. 7; antwoordakte in eerste aanleg d.d. 12 september 2000 onder 3 en 7; memorie van antwoord in het incidenteel appel onder 3, p. 3.
25 Zie de conclusie van dupliek onder 4, p. 7; antwoordakte in eerste aanleg d.d. 12 september 2000 onder 3 en 7; memorie van antwoord in het incidenteel appel onder 3, p. 3.
26 Het onderdeel bevat niet de rechtsklacht dat het hof in het bestreden arrest heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het gezag van gewijsde van eerder gegeven beslissingen in de zin als bedoeld in art. 236 (67 oud) Rv.
27 Zie de memorie van grieven, p. 4.
28 Productie 2 bij conclusie van repliek.