ECLI:NL:PHR:2005:AT3956

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01669/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 2 OpiumwetArt. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wegens ernstige overschrijding redelijke termijn in cassatie

De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld op 21 augustus 2000 tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarbij verdachte werd veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf wegens overtreding van de Opiumwet en de Wegenverkeerswet 1994.

Door een administratief verzuim van het hof zijn de stukken pas op 22 juni 2004 bij de Hoge Raad binnengekomen, waardoor een overschrijding van bijna vier jaar ontstond tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken. Dit tijdsverloop is niet gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden.

De Hoge Raad overweegt dat deze ernstige overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro leidt tot strafvermindering en in dit geval tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. De aard van de feiten en de opgelegde straf zijn eenvoudig en licht, waardoor het belang van de verdachte prevaleert.

De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Andere gronden voor ambtshalve vernietiging zijn niet aangetroffen.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

Nr. 01669/04
Mr. Vellinga
Zitting: 12 april 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 9 juni 2000 wegens 1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, en 2. en 3. (telkens) overtreding van artikel 9, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 01669/04 en 01670/04. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Hoewel namens de verdachte geen middelen van cassatie zijn voorgesteld, is hij ontvankelijk in het op 21 augustus 2000 ingestelde beroep. Het werd immers ingesteld vóór de datum van inwerkingtreding van de Wet van 28 oktober 1999, Stb. 467(1). Dientengevolge is op de onderhavige zaak nog het door de Wet van 1 oktober 1998, Stb. 591 ingevoerde tweede lid van art. 437 (oud) Sv van toepassing(2). Dat artikellid houdt de bevoegdheid in van de verdachte, door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, om een schriftuur houdende middelen van cassatie in te dienen binnen twee maanden nadat de in art. 435 Sv Pro bedoelde aanzegging is betekend en niet een zodanige - bovendien door een advocaat in acht te nemen - verplichting op straffe van de niet-ontvankelijkheid in het beroep.
4. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Uit de stukken van het geding blijkt dat:
(i) de verdachte op 21 augustus 2000 beroep in cassatie heeft ingesteld;
(ii) volgens een op 10 juni 2004 aan de Griffier van de Hoge Raad gerichte brief van het Hof, het onderhavige dossier deel uitmaakt van een aantal dossiers waarvan naar verluidt "onlangs" is gebleken dat die in ongerede zijn geraakt nadat het cassatieberoep was ingesteld en de dossiers daarom - behoudens tegenbericht - spoedheidshalve zonder de wettelijk vereiste uitwerking van het arrest aan de Hoge Raad zijn toegezonden;
(iii) de stukken van het geding blijkens een stempel op de inventaris op 22 juni 2004 bij de Hoge Raad zijn binnengekomen;
(iv) het Hof op 12 januari 2005 om de wettelijk vereiste uitwerking is verzocht;
(v) de Hoge Raad op 11 februari 2005 alsnog de verzochte aanvulling van het proces-verbaal van de terechtzitting en van het verkorte arrest, heeft ontvangen.
5. Uit het voorgaande volgt dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat sedert het ingestelde cassatieberoep meer dan 4 jaar zijn verstreken. In aanmerking genomen dat van bijzondere omstandigheden die dat tijdsverloop kunnen rechtvaardigen niet kan blijken, brengt dit tijdsverloop mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden.
6. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van deze termijn behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, dient hier het laatstgenoemde belang te prevaleren en dat - onder de gegeven omstandigheden - te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging. De onderhavige zaak wordt immers hierdoor gekenmerkt dat de bewezenverklaarde feiten, welke eenvoudig van aard zijn, inmiddels meer dan zes jaar gelden zijn gepleegd, dat het hier gelet op de opgelegde straf niet gaat om ernstige feiten, dat het ongeveer viereneenhalf jaar heeft geduurd voordat de stukken van het geding in de cassatiefase waren ingezonden en dat dus in een eenvoudige zaak van een zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.5, sprake is.
7. De in het onderhavige geval in mijn ogen aan de overschrijding van de redelijke termijn te verbinden niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie strookt met HR 9 februari 1999, NJ 1999, 314, waarin die niet-ontvankelijkheid werd uitgesproken omdat de inzendingstermijn in cassatie nagenoeg twee jaar bedroeg terwijl een rechtspersoon tot een geldboete van vijfhonderd gulden was veroordeeld, en met HR 29 mei 2001, NJ 2001, 517, in welk arrest de Hoge Raad de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie verbond aan een inzendingsduur in cassatie van meer dan vier jaar in een geval waarin de feiten, waarvoor de verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, tien jaar geleden waren gepleegd.(3)
8. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.
9. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot de niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. het KB van 21 juni 2000, Stb. 271: 1 oktober 2000.
2 Het overgangsrecht in art. VII van de Wet van 1 oktober 1998, Stb. 591 staat daaraan niet in de weg. De stukken van het geding waren op de datum van inwerkingtreding van die wet - 1 juni 1999 ingevolge het KB van 4 februari 1999, Stb. 52 - (uiteraard) nog niet bij de Griffier van de Hoge Raad binnengekomen.
3 Zie verder HR 19 november 2002, nr. 02540/01 voor wat betreft het tijdsverloop tussen het bij verstek gewezen arrest en het moment waarop de verdachte door betekening van de verstekmededeling op de hoogte kwam van de te zijner laste gewezen uitspraak.