ECLI:NL:PHR:2005:AT3956
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens ernstige overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld op 21 augustus 2000 tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarbij verdachte werd veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf wegens overtreding van de Opiumwet en de Wegenverkeerswet 1994.
Door een administratief verzuim van het hof zijn de stukken pas op 22 juni 2004 bij de Hoge Raad binnengekomen, waardoor een overschrijding van bijna vier jaar ontstond tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken. Dit tijdsverloop is niet gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden.
De Hoge Raad overweegt dat deze ernstige overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro leidt tot strafvermindering en in dit geval tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. De aard van de feiten en de opgelegde straf zijn eenvoudig en licht, waardoor het belang van de verdachte prevaleert.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Andere gronden voor ambtshalve vernietiging zijn niet aangetroffen.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn.