ECLI:NL:PHR:2005:AT3993
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onrechtmatigheid bloedproef zonder verdenking bij verkeersongeval
In deze zaak gaat het om de vraag of het vragen van toestemming voor een bloedproef aan een verdachte zonder dat er sprake was van een verdenking van rijden onder invloed, onrechtmatig is en welke gevolgen daaraan verbonden moeten worden.
De verdachte was betrokken bij een verkeersongeval waarbij hij met een te hoge snelheid reed. Kort na het ongeval werd hij per ambulance naar het ziekenhuis gebracht en werd hem toestemming gevraagd voor een bloedonderzoek. Het hof stelde vast dat er op dat moment geen verdenking bestond en oordeelde dat het verzoek om toestemming onbevoegd was gedaan. Desondanks werd het bloedonderzoek uitgevoerd met toestemming van de verdachte.
De Hoge Raad bevestigt dat het vragen van toestemming zonder verdenking een vormverzuim is, maar acht dit verzuim niet zo ernstig dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is. Het hof heeft terecht overwogen dat het nadeel voor de verdachte voldoende gecompenseerd kan worden door strafvermindering. De Hoge Raad wijst op de wettelijke beoordelingsfactoren van artikel 359a Sv en benadrukt dat strafvermindering alleen passend is indien daadwerkelijk nadeel is geleden en dit nadeel door het verzuim is veroorzaakt. In dit geval was sprake van een indicatie voor nader onderzoek en is het verzuim gerelativeerd door het feit dat de verbalisant te goeder trouw handelde.
Uitkomst: Het hof heeft terecht geoordeeld dat het vragen van toestemming voor een bloedproef zonder verdenking onrechtmatig was, maar strafvermindering volstaat als sanctie, geen bewijsuitsluiting.