ECLI:NL:PHR:2005:AT4038
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid man in hoger beroep wegens ontbreken grieven tegen vonnis rechtbank
De zaak betreft een geschil tussen een man en een vrouw over de verdeling van de voormalige echtelijke woning en aanverwante zaken na hun echtscheiding. De vrouw had een machtiging tot zelfstandige verkoop van de woning verkregen en de man was onder meer veroordeeld tot een straat- en contactverbod. De man kwam in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Utrecht dat toescheiding en verrekening van gemeenschappelijk eigendom gelastte.
In de appelprocedure stelde het hof vast dat de man geen conclusie van eis had genomen en geen grieven had geformuleerd tegen het bestreden vonnis, waardoor hij niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn hoger beroep. De man stelde dat hij op 27 februari 2003 wel degelijk grieven had ingediend, maar het hof oordeelde dat het ingediende processtuk geen grief bevatte tegen het vonnis.
De Hoge Raad bevestigt dat aan de formulering van grieven geen bijzondere vormvereisten zijn verbonden, maar dat het processtuk wel duidelijk moet maken tegen welk oordeel van de rechter in eerste aanleg wordt opgekomen. Het processtuk van de man bevatte geen grief tegen het vonnis van 19 januari 2000, zodat het hof terecht de man niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens het ontbreken van grieven tegen het bestreden vonnis.