ECLI:NL:PHR:2005:AT4065
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aanvang verzettermijn bij derdenbeslag en verstekvonnis
In deze zaak gaat het om een geschil tussen Modus Financieringen B.V. en een verweerder over de vraag wanneer een verstekvonnis ten uitvoer is gelegd in het kader van derdenbeslag op een vordering tot periodieke betalingen. De verweerder was in gebreke gebleven met betalingen uit een verbruikleenovereenkomst, waarna Modus het restantbedrag opeiste en een verstekvonnis verkreeg.
De kern van het geschil betreft de ontvankelijkheid van het verzet dat de verweerder instelde tegen het verstekvonnis. Het hof oordeelde dat het verstekvonnis pas ten uitvoer was gelegd nadat het volledige bedrag was uitbetaald, en verklaarde het verzet ontvankelijk. De Hoge Raad stelt echter dat het hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door te veronderstellen dat volledige betaling vereist is voor tenuitvoerlegging. Volgens de Hoge Raad geldt dat het vonnis geacht wordt ten uitvoer gelegd te zijn na de eerste uitbetaling aan de beslaglegger.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug om vast te stellen wanneer de eerste uitbetaling heeft plaatsgevonden. Deze datum is bepalend voor de ontvankelijkheid van het verzet. De zaak betreft de uitleg van artikel 81 lid 2 en Pro artikel 82 lid 1 onder Pro 2 van het oude Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en bevestigt de rechtspraak dat gedeeltelijke executie het recht van verzet beperkt tot het niet-uitgevoerde gedeelte.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor vaststelling van de datum van eerste uitbetaling onder derdenbeslag.