ECLI:NL:PHR:2005:AT4369
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontoerekeningsvatbaarheid bij vernieling
De aanvrager werd veroordeeld wegens vernieling gepleegd op 14 april 1998. Na de veroordeling werd een herzieningsverzoek ingediend op grond van een psychiatrische stoornis die mogelijk tot ontoerekeningsvatbaarheid zou hebben geleid. Bewijsmiddelen, waaronder een reclasseringsrapport en correspondentie met een psychiater, werden overgelegd.
Het reclasseringsrapport stelde dat de aanvrager op het moment van latere vernielingen psychotisch was en leed aan schizofrenie, maar erkende ook tegenstrijdige meningen over zijn toerekeningsvatbaarheid. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de aanvrager op het moment van het bewezenverklaarde feit een zodanige stoornis had dat hij niet verantwoordelijk kon worden gehouden.
De omstandigheden van het feit, zoals de verklaring van de veroordeelde en het feit dat hij ter terechtzitting verscheen, ondersteunen dit oordeel. Ook het argument dat een minder zware straf had moeten worden toegepast, werd verworpen omdat dit niet valt onder de wettelijke grond voor herziening. De Hoge Raad verklaarde het herzieningsverzoek ongegrond en wees het af.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wegens ontoerekeningsvatbaarheid wordt afgewezen en de veroordeling blijft ongewijzigd.