ECLI:NL:PHR:2005:AT4371

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02218/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588 lid 3 onder c Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid in hoger beroep bij overschrijding beroepstermijn door bijzondere omstandigheden

De zaak betreft een verdachte die in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld wegens het in voorraad hebben van valse bankbiljetten. Tegen dit vonnis stelde hij niet binnen de wettelijke termijn van 14 dagen hoger beroep in, maar pas later. Het hof verklaarde hem daarom niet-ontvankelijk. De verdachte stelde echter dat hij binnen de beroepstermijn door een medewerker van het parket was geïnformeerd dat hij niets hoefde te doen en moest wachten op een brief, waardoor hij gerechtvaardigd mocht verwachten dat de beroepstermijn nog niet was aangevangen.

De Hoge Raad overweegt dat de wet strikte termijnen stelt voor het instellen van rechtsmiddelen, die van openbare orde zijn. Overschrijding leidt in principe tot niet-ontvankelijkheid, tenzij bijzondere omstandigheden de overschrijding verontschuldigen. Een dergelijke bijzondere omstandigheid kan bestaan uit een uitlating van een parketmedewerker binnen de beroepstermijn die een gerechtvaardigde verwachting schept dat de termijn later begint of eindigt dan wettelijk bepaald.

Het hof had echter niet onderzocht of de door de verdachte aangevoerde bijzondere omstandigheid aannemelijk was. Daarom is het oordeel van het hof niet begrijpelijk. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor nieuwe behandeling van het hoger beroep, waarbij dit aspect nader moet worden onderzocht.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor nieuwe behandeling van het hoger beroep wegens onvoldoende onderzoek naar bijzondere omstandigheden bij termijnoverschrijding.

Conclusie

Griffienr. 02218/04
Mr. Wortel
Zitting:19 april 2005
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de Rechtbank te Haarlem, bij welk vonnis verzoeker wegens "bankbiljetten, waarvan de valsheid hem toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst te doen uitgeven, in voorraad hebben" is veroordeeld tot een geldboete van € 500,=, subsidiair 10 dagen hechtenis, met onttrekking aan het verkeer van een inbeslaggenomen vals bankbiljet.
2. Namens verzoeker hebben mrs. G.P. Hamer en A.M. Ficq-Kengen, advocaten te Amsterdam, een cassatiemiddel voorgesteld.
Dat richt zich uiteraard tegen de gronden waarop verzoeker in zijn appèl niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. Dienaangaande is in de bestreden uitspraak overwogen:
"De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van 16 mei 2003 van de politierechter in de rechtbank te Haarlem. De dagvaarding is hem op 5 maart 2003 overeenkomstig het bepaalde in artikel 588, lid 3 onder c, Wetboek van Strafvordering uitgereikt. De verdachte is op 16 mei 2003 bij verstek veroordeeld. Blijkens de inhoud van zijn brief van 17 september 2003 aan het ressortsparket te Amsterdam is deze einduitspraak de verdachte op 22 mei 2003 bekend geworden.
Tegen het vonnis van de politierechter heeft de verdachte niet binnen 14 dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 16 september 2003. Het hoger beroep is mitsdien niet binnen de daarvoor wettelijk voorgeschreven termijn ingesteld. Nu ter terechtzitting in hoger beroep geen omstandigheid aannemelijk is geworden op grond waarvan het hof anders zou dienen te oordelen, zal verdachte in zijn hoger beroep niet ontvankelijk worden verklaard."
4. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep verklaard:
"Ik was in het buitenland ten tijde van het vonnis. Ik heb pas papieren gevonden toen ik op 21 mei 2003 thuis kwam. Ik heb de dag daarna met het parket gebeld en van het parket gehoord dat ik was veroordeeld. Op mijn vraag wat ik nu moest doen deelde de dame die mij te woord stond mij mede dat ik niets hoefde te doen, maar moest wachten op de brief. U zegt mij nu dat ik te laat ben met mijn hoger beroep, maar ik krijg zo problemen buiten mijn fout; de dame had mij verteld te wachten.
Bovendien had de politie mij gezegd dat zij dachten dat de zaak zou worden geseponeerd."
5. In de toelichting op het middel wordt gewezen op HR NJ 1995, 253. Het daarin geformuleerde uitgangspunt is herhaald in HR NJ 2004, 462. Overschrijding van de wettelijk voorziene termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen, welke termijnen van openbare orde zijn, moet de verdachte worden toegerekend tenzij de termijnoverschrijding om bijzondere redenen verontschuldigbaar is. Zo een bijzondere omstandigheid kan gelegen zijn in een uitlating van een medewerker van parket of griffie, gedaan binnen de lopende beroepstermijn, die in redelijkheid de verwachting kon wekken dat die termijn op een later tijdstip aanvangt of eindigt dan in werkelijkheid uit de wet voortvloeit.
6. Verzoeker heeft zich op een dergelijke uitlating - gedaan op 22 mei 2003, derhalve binnen de wettelijke termijn voor het aanwenden van het rechtsmiddel - beroepen. Nu het Hof zich niet heeft uitgelaten over de aannemelijkheid van dat beroep op gewekt vertrouwen, komt het oordeel dat niet is gebleken van omstandigheden die tot een andere beslissing hadden moeten voeren, mij niet begrijpelijk voor.
7. Naar mijn inzicht treft het middel derhalve doel.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en terugwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,