ECLI:NL:PHR:2005:AT4537
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van periodiek verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden bij echtscheiding
Deze zaak betreft een cassatieberoep over de uitleg en toepassing van een periodiek verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden tussen partijen die zijn gescheiden. Centraal staat de vraag of niet-gerealiseerde waardestijgingen van een bedrijfsmatig aangehouden onroerend goed-portefeuille als winst uit onderneming moeten worden beschouwd en dus voor verrekening in aanmerking komen.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip "winst uit onderneming" in de huwelijkse voorwaarden, hoewel geïnspireerd door de Wet op de Inkomstenbelasting 1964, moet worden uitgelegd als jaarwinst die daadwerkelijk is gerealiseerd. Niet-gerealiseerde waardestijgingen, zoals latente meerwaarden in onroerend goed, vallen niet onder dit begrip omdat deze niet direct beschikbaar zijn om de kosten van de huishouding te bestrijden.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht rekening heeft gehouden met een latente belastingclaim bij de waardering van de vermogensstijging en dat het bewijsvermoeden van art. 1:141 BW Pro toepasselijk is. De klachten over onvoldoende motivering, verrassingsbeslissingen en onjuiste rechtsopvattingen worden afgewezen. Het arrest bevestigt de jurisprudentie over de afwikkeling van niet uitgevoerde verrekenbedingen en verduidelijkt de toepassing van de Wet regels verrekenbedingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof heeft terecht geoordeeld dat niet-gerealiseerde waardestijgingen niet onder het verrekenbeding vallen.