1 Rov. 2.14 van het arrest van het hof Den Bosch van 23 juli 1997.
2 Rov. 2.9 van het arrest van het hof Den Bosch van 23 juli 1997 en rov. 3.5 van het arrest van dit hof van 17 maart 1998.
3 De cassatiedagvaarding is op 23 maart 2004 uitgebracht.
4 Getiteld: Conclusie van dupliek in het principale en van repliek in het incidentele cassatieberoep. Deze conclusie bevindt zich niet in het A-dossier.
5 HR 7 april 1995, NJ 1996, 496, m.nt. WMK (Vossen/Swinkels). Zie daarvoor echter ook HR 15 februari 1985, NJ 1985, 885, m.nt. EAAL en HR 29 oktober 1993, NJ 1995, 559, m.nt. WMK over WIR-premies.
6 HR 19 januari 1996, NJ 1996, 617 m.nt. WMK. E.A.A. Luijten, Eindelijk duidelijkheid rond het Amsterdamse Verrekenbeding, Adv. blad 1997, p. 1259 en Luijten/Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, 2005, nr. 638 hebben uit het arrest [de vrouw]/[de man] afgeleid dat hetgeen moet worden verdeeld, bestaat uit a. de nog onbelegd aanwezige netto-inkomsten, b. de beleggingen van inkomsten uit vroeger jaren en c. de revenuen van deze beleggingen.
7 HR 28 maart 1997, NJ 1997, 581, m.nt. WMK (Burhoven/De Kroon); HR 3 oktober 1997, NJ 1998, 383, m.nt. WMK (Bal/Keller).
8 HR 2 maart 2001, NJ 2001, 583, m.nt. Wortmann onder NJ 2001, 584.
9 HR 2 maart 2001, NJ 2001, 584, m.nt. Wortmann.
10 HR 26 oktober 2001, NJ 2002, 93, m.nt. WMK.
11 HR 6 december 2002, NJ 2005, 125 m.nt. WMK ([...]/[...]).
12 HR 18 april 2003, NJ 2003, 441 ([...]/[...]).
13 Wet van 14 maart 2002 tot wijziging van titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (regels verrekenbedingen), Stb. 152. Zie over dit wetsvoorstel onder meer: C.A. Kraan, De herziening van het huwelijksvermogensrecht, EB 2002, nr. 1, p. 7-13 en de reactie daarop van L.C.A. Verstappen in EB 2002, nr. 4, p. 54-60; M.J.A. van Mourik, Regels voor verrekenbedingen, WPNR 02/6499, p. 555-561; C.A. Kraan, De wettelijke regels voor verrekenbedingen, EB 2003, nr. 1, p. 8-10; L.C.A. Verstappen, De Wet regels verrekenbedingen in de praktijk, WPNR 04/6584, p. 521-532;
14 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 554, nr. 3, p. 20.
15 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 554, nr. 5, p. 13-14.
16 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 554, nr. 3, p. 10; Van Mourik, t.a.p., p. 555; Kraan, t.a.p., p. 10.
17 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 554, nr. 3, p. 16-17. Zie voorts Luijten/Meijer, a.w., nr. 636 en 640; Verstappen, t.a.p., p. 527; C.A. Kraan, Vossen-Swinkels en het vervolg, EB Klassiek, 2003, p. 107; M.J.A. van Mourik, Huwelijksvermogensrecht, 2002, p. 178 en 190; Asser-De Boer 2002, nr. 523; Luijten/Meijer, a.w., nr. 678.
18 Asser-De Boer, 2002, nr. 524; Anders: Kraan, t.a.p. (2003), p. 10.
19 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 554, nr. 3, p. 17.
20 Verstappen, t.a.p., p. 531.
21 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 554, nr. 3, p. 11 en nr. 5, p. 6.
22 Verstappen, t.a.p., p. 531; Van Mourik, a.w., p. 329; Zie ook: HR 29 oktober 1993, NJ 1995, 559, m.nt. WMK en HR 2 maart 2001, NJ 2001, 583.
23 HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, m.nt. CJHB; HR 26 oktober 2001, NJ 2002, 93, m.nt. WMK; HR 28 november 2003, NJ 2004, 116.
24 HR 7 november 1975, NJ 1976, 287; Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, 1989, nr. 109; Asser-Hartkamp II, 2005, nr. 284.
25 De tekst van de huwelijkse voorwaarden heeft de vrouw bij conclusie van antwoord overgelegd.
26 Deze wet is van toepassing gelet op de datum van het opmaken van de akte huwelijkse voorwaarden.
27 HR 20 juni 1930, NJ 1930, p. 1217, sindsdien vaste rechtspraak.
28 HR 4 mei 1984, NJ 1985, 3, m.nt. WHH; HR 23 juni 1989, NJ 1990, 381, m.nt. JBMV onder NJ 1990, 382.
29 HR 5 januari 1996, NJ 1996, 597, m.nt. HER; HR 14 december 2001, NJ 2002, 57; HR 16 januari 2004, NJ 2004, 318. Zie voor een overzicht van mogelijke uitzonderingen: Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 68 e.v.
30 HR 18 december 1942, NJ 1943, 40; HR 12 mei 1995, NJ 1995, 514; HR 3 september 1999, NJ 2001, 405, m.nt. ThMdB; Snijders, a.w., nr. 65; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2002, nr. 116.
31 H.E. Ras, Het tussenvonnis in het burgerlijk procesrecht, 1966, nr. 129; HR 23 juni 1989, NJ 1990, 381, rov. 4.4, m.nt. JBMV onder NJ 1990, 382; HR 25 september 1992, NJ 1992, 752.
32 Zie ook rov. 3 van datzelfde arrest.
33 HR 2 december 2001, NJ 2004, 34 m.nt. DA; HR 17 oktober 2003, NJ 2004, 39. Zie over verrassingsbeslissingen voorts: E. Tjong Tjin Tai, Verrassingsbeslissingen door de civiele rechter, NJB 2000, p. 259-264; Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 83; Burgerlijke Rechtsvordering, Wesseling-van Gent, art. 25, aant. 4.
34 Conclusie na verwijzing van 8 oktober 1996, p. 14. Over het begrip winst uit onderneming heeft de man in zijn pleitnota van 23 april 2001 onder 7 enige opmerkingen gemaakt.
35 Memorie na deskundigenbericht van 4 maart 2003 onder 10; Memorie na deskundigenbericht van 1 april 2003 onder 5; In de pleitnota van 1 mei 1997, p. 9 spreekt de man van verkrijging van een vordering in rekening-courant op de vennootschap van ƒ 226.510,--. Zie ook hierna onder 3.31 en 3.32.
36 Luidende: "'s Hofs oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting resp. is onbegrijpelijk gemotiveerd waar het hof - het eigen vermogen van de BV in rov. 12.37 becijferende op ƒ 486.750,-- - weliswaar rekening heeft gehouden met een latente belastingclaim van 20% over de waardestijging van het onroerend goed, (...)".
37 Zie zijn s.t. onder 46 en 47. Er zijn ook andere latente claims ter sprake gekomen.
38 HR 2 maart 2001, NJ 2001, 584, m.nt. Wortmann (Visserijbedrijf), rov. 3.3; E. Aardema, Waardering van incourante aandelen voor de belastingheffing, Fiscale brochures, 1998, p. 15-16.
39 M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding, 1997, p. 314; Aardema, a.w., p. 53; Zo ook dus HR 2 maart 2001, NJ 2001, 584, m.nt. Wortmann (Visserijbedrijf).
40 Aardema, a.w., p. 54.
4120% werd gehanteerd door Hof Amsterdam 27 maart 1980, V-N 1981, p. 887; Hof 's-Hertogenbosch in HR 9 september 1987, BNB 1988, 1; Hof Amsterdam in HR 18 januari 1984, BNB 1984, 88. Anders: Hof Leeuwarden 20 november 1981, BNB 1982, 319; Hof Den Haag in HR 2 maart 2001, NJ 2001, 584, m.nt. Wortmann (civiele kamer).
42 HR 21 februari 1997, NJ 1997, 316; HR 20 oktober 2000, NJ 2002, 436, m.nt. WMK; Hof 's-Hertogenbosch 18 december 1997, NJ 1998, 774 en Hof Den Haag 27 november 1999, NJ 1999, 513. Verg. de conclusie van mijn ambtgenote De Vries Lentsch-Kostense van 25 maart 2005 in de zaak R03/148HR.
Zie ook W.R. Meijer, De afwikkeling van huwelijksvoorwaarden, 2003, p. 108; J.A.M.P. Keijser, Verrekenbeding en onderneming, in Yin-Yang (Van Mourik-bundel), 2000, p. 132; Verstappen, t.a.p., p. 530 en Van Mourik, a.w., p. 180 voor wat betreft het achterwege laten van de ingebrekestelling.