1 Een afschrift van de aangifte dividendbelasting is als bijlage 1 bijgevoegd bij het verweerschrift van de inspecteur. In haar aangifte heeft belanghebbende slechts met het nominale kapitaal rekening gehouden en niet met het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestort kapitaal; zie blz. 1 van het verweerschrift.
2 Bijlage 1 bij de aanvulling op het beroepschrift voor het Hof; bijlage 7 bij het verweerschrift van de inspecteur.
3 De voorzitter van het managementteam van de regio P, van de Belastingdienst
4 Tussen partijen was niet in geschil dat zich geen feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die tot gevolg hebben dat de inhouding van de dividendbelasting ter zake van de inkoop achterwege mag blijven op grond van artikel 4c van de Wet op de dividendbelasting 1965.
5 Bij de bespreking van de middelen zal ik, waar nodig, de geschilpunten nader toelichten.
6 In deze zin bijvoorbeeld W. Scholten, Inkoop van eigen aandelen, WFR 4571/1961 en H.P.A.M. van Arendonk, Inkoop van eigen aandelen, Deventer: Kluwer, 1992, p. 25 en 191.
7 Hierna wordt met de aanduiding de Cobra-zaak of het Cobra-arrest uitsluitend gedoeld op de (overwegingen uit) zaak met rolnr. 14 649.
8 Volledigheidshalve vermeld ik dat van een uitzonderingssituatie ook sprake was in HR 14 november 1956, nr. 12 893, BNB 1957/19 (die de voortzetting van de verwijzingszaak BNB 1955/259 betrof).
9 Zie in deze zin ook de uitspraken van Hof Amsterdam 16 april 1962, nr. 59/1962, BNB 1962/301 en Hof 's-Gravenhage 22 december 1972, nr. 33/1972, BNB 1973/221.
10 CvB: Belanghebbendes aandeelhouder, die vroeger technisch leider van de vennootschap was geweest, was directeur geworden van haar voornaamste concurrent.
11 Verwezen wordt naar onder meer W. Scholten, Inkoop van eigen aandelen, WFR 4571/1961; H.P.A.M van Arendonk, a.w., p. 191 e.v.; Moltmaker in zijn conclusie bij HR 12 maart 1997, nr. 29 479, BNB 1997/200, onderdeel 4.3.1.2.
12 A.J. van Soest, De Naamloze Vennootschap, december 1958, nr. 9, jaargang 36 maakt van dit motief een afzonderlijk criterium.
13 J.H.M. Arts, Kapitaalstortingen voor de vennootschapsbelasting, Lelystad: Koninklijke Vermande, 1997, p. 305
14 Mijns inziens is het niet ondenkbaar dat ingeval van een fusie of overname verlies op de inkooptransactie voor lief wordt genomen vanwege de verwachte synergetische effecten die met de fusie of overname op lange termijn bereikt kunnen worden. Ook denkbaar is dat een vennootschap, genoodzaakt om andere belangstellenden voor de targetvennootschap af te troeven, een fors bod op de uitstaande aandelen uitbrengt.
15 J.C.K.W. Bartel, Inkomstenbelastingaspecten van de opbrengst van (beurs)aandelen, Deventer: Kluwer, 1999, 3e druk, p. 219.
16 W. Scholten, Inkoop van eigen aandelen, WFR 4571/1961, p. 741.
17 H.P.A.M. van Arendonk, a.w., p. 27.
18 W. Scholten, a.w, p. 741; W.P. van Sikkelerus, Inkoop van eigen aandelen: civielrechtelijke en fiscale aspecten, Deventer: FED, 1985, blz. 148; en Moltmaker in zijn conclusie voor HR 12 maart 1997, nr. 29 479, BNB 1997/200 (in onderdeel 4.3.2.5).
19 D. Juch, Fiscale gevolgen van de inkoop van eigen aandelen ter tijdelijke belegging door een in Nederland gevestigde en ter beurze genoteerde vennootschap, WFR 1998/191.
20 H.P.A.M. Van Arendonk, a.w., p. 193 e.v.
21 W.J. Slagter, Inkoop van eigen aandelen, TVVS 1982/5, p. 117.
22 TK 2000-2001, 27 896, nr. 3 (MvT), blz. 6; en TK 2001-2002, 28 96, nr. 5, p. 13-14
23 Stb. 2004, 654.
24 Zoals de wetgever met ingang van 1 januari 2005 dat heeft gedaan met betrekking tot de inkoop van eigen aandelen door beleggingsmaatschappijen in art. 3, vierde lid, van de Wet.
25 De arresten van HR 21 februari 2001, nr. 35 639, BNB 2001/161 en HR 21 februari 2001, nr. 35 074, BNB 2001/160. In mijn beschouwingen hierna in onderdeel 4 besteed ik enkel aandacht aan BNB 2001/161, omdat alleen in dit arrest de inkoop van eigen aandelen aan de orde komt.
26 TK 2000-2001, 27 896, B (Nader Rapport), punt 6; en nr. 5 (NV), blz. 12.
27 Zie onder meer Van Arendonk, a.w., p. 48-50; en Bartel, a.w., p. 220-224. In dezelfde zin zie P.J. Wattel, Dividendbelasting, Deventer: Kluwer, 1997, 2e druk, p. 60. Zie ook het deels opgenomen advies van de Raad van State in 4.7 hierna.
28 In andere zin (kennelijk) Van Arendonk die bij de beoordeling of sprake is van een voorbijgaande belegging (of beter: 'voorbijgaand houden') zou willen laten meewegen de vraag wie belang heeft bij de inkoop van eigen aandelen. Van Arendonk meent dat wanneer het belang van de inkoop bij de aandeelhouder ligt (zoals bijvoorbeeld met het oog op een uitkoop), in beginsel dan sprake van afneming van het risicodragend vermogen die tot belastingheffing moet leiden. Wanneer daarentegen de vennootschap overgaat tot inkoop met het oog op bepaalde vennootschappelijke belangen (zoals koersondersteuning, aandelenoptieplan werknemers, in verband met fusie en dergelijke), blijft volgens Van Arendonk het risicodragend vermogen in stand en is belastingheffing derhalve niet op zijn plaats; zie H.P.A.M. Van Arendonk, a.w., p. 192.
29 In deze zin ook A.J. van Soest in zijn noot onder BNB 1958/174.
30 Zie ook de conclusie van Moltmaker voor BNB 1997/200, onderdelen 4.3.3.2 - 4.3.3.5.
31 Zie P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, Deventer: Kluwer, 2003, 13e druk, p. 331 e.v
32 Zie het Cobra-arrest; BNB 1962/60.
33 Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel werknemersopties is opgemerkt dat het verwerven van eigen aandelen ter dekking van nog toe te kennen optierechten als inkoop ter tijdelijke belegging kan worden beschouwd, mits vaststaat dat de inkoop is geschied met het oog op de afdekking van optierechten waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze op korte termijn zullen worden toegekend. Tijdstippen waarop in het verleden bij deze werkgever optierechten zijn toegekend aan werknemers, kunnen volgens de parlementaire wetgever een aanwijzing zijn dat op korte termijn weer een optieverlening is te verwachten. Gedragingen uit het verleden kunnen hierbij bijdragen aan de bewijsvoering; zie TK 2001-2002, 27 896, nr. 5 (NV), blz. 11-12.
34 Volledigheidshalve zij vermeld, dat deze problematiek niet (meer) speelt bij werknemersopties, omdat thans art. 3, derde lid, van de Wet een inkoop van eigen aandelen in verband met het nakomen van een optieverplichting jegens werknemers van de inkopende BV of een met haar verbonden vennootschap aanmerkt als een tijdelijke belegging.
35 Uit de wetsgeschiedenis inzake het wetsvoorstel werknemersopties blijkt trouwens dat de wetgever van mening was dat de reikwijdte van de zgn. februari-arresten verder gaat dan alleen de werknemersopties en ook gevolgen heeft voor warrants en converteerbare obligatieleningen die zijn uitgegeven aan derden (niet-werknemers); TK 2001-2002, 27 896, nr. 5 (NV), p. 9.
36 Zie onder meer onderdeel 9 e.v. van de conclusie van Van Kalmthout voor BNB 2001/161.
37 TK 2001-2002, 27 896, nr. 5 (NV), p. 9.
38 TK 2000-2001, 27896, (wijziging van belastingwetten in verband met dividendstripping en het verlenen van optierechten aan werknemers), B, punt 6 (Advies Raad van State).
39 In nagenoeg geheel dezelfde zin J.C.K.W. Bartel, Inkomstenbelastingaspecten van de opbrengst van aandelen (FM nr. 29), Deventer: Kluwer 1999, p. 220.
40 TK 2000-2001, 27 896, B (Nader Rapport), punt 6; zie ook TK 2001-2002, 27 896, nr. 5 (NV), p. 12.
41 Handelingen II 2001-2002, nr. 24, p. 1702.
42 Handelingen II 2001-2002, nr. 24, p. 1705.
43 CvB: dat wordt nu voor bepaalde aandelen wettelijk uitdrukkelijk toegestaan in art. 3, vierde lid, van de Wet.
44 Ingevolge art. VI, onderdeel B, van de Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, Stb. 2000, 216. Zie ook TK 1999-2000, 26 728, nr. 35, p. 23.
45 Dit begrip houdt in dat bij de vaststelling van de bate niet in aanmerking genomen wordt hetgeen door de individuele aandeelhouder op de door hem gehouden aandelen is gestort, maar het gemiddelde van alle stortingen op aandelen van dezelfde soort.
46 Uit TK 1999-2000, 26 728 (Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001), nr. 8 (NvW), p. 10-11 zou afgeleid kunnen worden dar de wetgever destijds geen materiele wijziging heeft beoogd. Zie in deze zin ook mijn ambtgenoot Wattel in zijn conclusie bij HR 20 december 2002, nr. 36 999, BNB 2003/205.
47 Zie de aantekening van de V-N redactie onder het Besluit van 5 juli 1995, nr. DB 95/1869M, V-N 1995/2573, en J.C.K.W. Bartel, a.w., p. 229. In andere zin H.P.A.M. van Arendonk, a.w., p. 201-202. Zie ook de Staatssecretaris in zijn Besluit van 5 juli 1995, nr. DB95/1869M. Ik wijs in dit verband tevens op de opmerkingen die tijdens de parlementaire behandeling van de inkoop van eigen aandelen onder het nieuwe ab-regime zijn gemaakt; TK 1995-1996, 24 761, nr. 3 (MvT), p. 16, 17, en 47.
48 Zie onder meer mijn ambtsgenoot Wattel in diens conclusie voor HR 20 december 2002, nr. 36 999, BNB 2003/205; J.C.K.W. Bartel, a.w., p. 226-229; H.P.A.M. van Arendonk, a.w, p. 198-204; R.E.C.M. Niessen in zijn noot in BNB 2003/205; J. Doornebal, Inkoop van eigen aandelen en gestort kapitaal, TFO 1992/35.
49 Ook de V-N redactie (V-N 2003/4.22) meent dat het arrest met ingang van 1 januari 2001 weinig relevantie heeft, maar zij beperkt haar opmerkingen tot de betekenis voor de inkomstenbelasting.
50 Het arrest HR 22 juli 1997, nr. 31 260, BNB 1997/369, waarin werd geoordeeld dat de winst en het gestort kapitaal in beginsel evenredig moet worden toegerekend aan de aandelen, heeft mijns inziens voor wat betreft de inkoop van eigen aandelen dan ook zijn betekenis verloren met ingang van 1 januari 2001.
51 Als (bijkomend) argument kan verwezen worden naar de civielrechtelijke bezwaren die bestaan bij een de beslissende invloed van de boekhoudkundige verwerking bij de inkoop van eigen aandelen; Zie J. Doornebal, Inkoop van eigen aandelen en gestort kapitaal, TFO 1992/35.
52 Zie bijvoorbeeld het verzoek om versnelde procedure voor het Hof, p. 2-3, waarin vermeld wordt dat tussen de belanghebbende en het bestuur (en de Raad van Commissarissen) van Target nog geen overeenstemming was bereikt en dat met de belastingdienst vooraf overleg is geweest over de voorgenomen overname.
53 Daarbij acht ik niet zonder belang dat bij een openbaar bod op ter beurze genoteerde of geregeld verhandelde aandelen gelden wettelijke regels ter bescherming van de belangen van aandeelhouders. De regels schrijven voor dat een openbare mededeling wordt gedaan bij 'een zodanige stand van besprekingen ter voorbereiding van een openbaar bod, dat de verwachting gerechtvaardigd is dat overeenstemming kan worden bereikt.'; zie Van Schilfgaarde, a.w., p 345-346. In de onderhavige zaak waren de (overname-)besprekingen kennelijk niet in een zodanig vergevorderd stadium dat een openbare mededeling moest worden gedaan.
54 Zie ook H.P.A.M. van Arendonk, a.w., p. 279.