ECLI:NL:PHR:2005:AT5543
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontslag van instantie bij toepassing schuldsaneringsregeling
In deze zaak stond centraal of het hof terecht ontslag van instantie verleende in een procedure waarin de schuldsaneringsregeling op de vrouw van toepassing was verklaard. De vrouw had een vordering ingesteld tegen de man, die zij in hoger beroep voortzette nadat de rechtbank haar vordering had afgewezen. Tijdens het hoger beroep werd het geding geschorst om de bewindvoerder de gelegenheid te geven het geding over te nemen, maar deze deed dit niet.
De man verzocht vervolgens om ontslag van instantie, hetgeen het hof toewijst omdat niet was gebleken dat de vrouw het hoger beroep wilde voortzetten. De vrouw stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het verzoek werd toegewezen en dat haar belangen onvoldoende waren meegewogen.
De Hoge Raad overweegt dat de Faillissementswet het recht geeft om ontslag van instantie te vragen, maar niet verplicht tot toewijzing. Het hof had moeten afwegen tussen het belang van de man om niet geconfronteerd te worden met proceskosten die hij niet kan verhalen en het belang van de vrouw om haar procedure voort te zetten. In dit geval was echter niet gebleken dat de vrouw het hoger beroep wilde voortzetten, een vaststelling die niet onbegrijpelijk is aangezien haar vertegenwoordiger ter zitting niet heeft gereageerd.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het ontslag van instantie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het ontslag van instantie in het hoger beroep blijft gehandhaafd.