Art. 1:377f BWArt. 1:377a BWArt. 8 EVRMArt. 419 lid 3 RvArt. 426a lid 2 Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Omgangsregeling biologische vader met minderjarig kind bij gezag moeder
In deze zaak verzocht de biologische vader, die het kind niet heeft erkend en waarbij de moeder het gezag heeft, om een omgangsregeling met zijn minderjarige zoon. De rechtbank stelde vast dat sprake was van family life tussen vader en kind en gaf de Raad voor de Kinderbescherming opdracht tot onderzoek en advies. Na diverse proefcontacten die niet konden plaatsvinden wegens weigering van de moeder, wees de rechtbank het verzoek af vanwege de onwil van de moeder en de mogelijke negatieve gevolgen voor het kind.
Het hof vernietigde deze beschikking en bepaalde een omgangsregeling via een begeleidingsproject, waarna de moeder cassatie instelde. De Hoge Raad oordeelde dat het biologisch vaderschap op zich onvoldoende is voor het aannemen van family life, maar dat bijkomende omstandigheden, zoals een niet-kortstondige relatie, samenwoning, gezamenlijke keuze van voornamen en intentie om samen voor het kind te zorgen, dit wel aannemelijk maken.
De Hoge Raad bevestigde dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgangsregeling op grond van artikel 1:377f BW, dat een nauwe persoonlijke betrekking vereist die gelijkgesteld wordt aan family life in de zin van artikel 8 EVRMPro. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de weigering van de moeder om mee te werken niet zonder meer tot afwijzing mag leiden als er geen contra-indicaties zijn tegen omgang. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen; de vader is ontvankelijk in zijn verzoek tot omgangsregeling.
Conclusie
Rekestnr. R04/076HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 13 mei 2005
Conclusie inzake:
[de vrouw]
tegen
[de man]
Het gaat in deze zaak om de door de biologische vader verzochte omgang met zijn minderjarig kind, waarover de moeder alleen het gezag heeft.
1. Feiten(1) en procesverloop
1.1 Verzoekster tot cassatie, de moeder, en verweerder in cassatie, de vader, hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben - met tussenpozen - samengewoond.
1.2 Uit hun relatie is op [geboortedatum] 1999 de minderjarige [de zoon] geboren, hierna te noemen [de zoon].
De vader heeft [de zoon] niet erkend. De moeder heeft alleen het gezag over hem.
1.3 Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht op 13 april 2000, heeft de vader de rechtbank primair verzocht een omgangsregeling vast te stellen, waarbij hij [de zoon] bij zich mag hebben gedurende één zaterdag per twee weken van 10.00 tot 17.00 uur, dan wel gedurende een door de rechtbank te bepalen periode en subsidiair, op een zo kort mogelijke termijn een onderzoek naar de omgang door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) te gelasten naar de mogelijkheid van een omgangsregeling.
De moeder heeft verweer gevoerd.
1.4 De rechtbank heeft het verzoek ter zitting van 25 mei 2000 behandeld. Daarbij waren de moeder, haar raadsman, de vader en zijn procureur aanwezig.
1.5 Blijkens het van de zitting opgemaakte proces-verbaal heeft de rechtbank geoordeeld dat er sprake is van family life tussen de vader en [de zoon] en heeft de rechtbank meegedeeld de raad een onderzoek en advies met betrekking tot de omgangsregeling te vragen, waarbij de raad gedurende de onderzoeksperiode - desgewenst - proefcontacten kan laten plaatsvinden.
1.6 De raad heeft op 9 januari 2001 rapport uitgebracht waarin de rechtbank wordt geadviseerd een omgangsregeling op te starten door middel van drie proefcontacten onder begeleiding en op het bureau van de raad, om daarna een definitieve omgangsregeling vast te leggen.
1.7 Op 15 maart 2001 is de behandeling ter zitting van de rechtbank in aanwezigheid van de moeder en de vader, hun procureurs en een vertegenwoordiger van de raad, voortgezet.
De rechtbank heeft de raad verzocht drie proefcontacten tussen de vader en [de zoon] te organiseren, haar over het verloop van de proefcontacten te informeren en haar nader te adviseren over de verzochte omgangsregeling.
1.8 Bij brief van 31 mei 2001 heeft de raad de rechtbank gemeld dat het voor de raad niet mogelijk is over het verloop van de proefcontacten te rapporteren, nu de moeder heeft meegedeeld in het geheel niet te zullen meewerken aan proefcontact tussen de vader en [de zoon].
1.9 De rechtbank heeft ter zitting van 27 september 2001 de (op 9 augustus 2001 aangehouden) behandeling wederom voortgezet. Beide partijen zijn daar verschenen, alsmede hun raadslieden en een vertegenwoordigster van de raad.
1.10 Bij beschikking van 9 januari 2002 heeft de rechtbank het verzoek van de vader afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat er noch in de persoon van de man, noch in de persoon van [de zoon] contra-indicaties zijn te vinden voor het vaststellen van een omgangsregeling. De rechtbank heeft het verzoek van de man evenwel afgewezen gelet op de houding van de vrouw. Spanningen tussen de ouders rond een eventueel gedwongen opgelegde omgangsregeling zullen volgens de rechtbank hun weerslag hebben op de ontwikkeling en het functioneren van [de zoon] en daarom in strijd worden geacht met de zwaarwegende belangen van [de zoon]. Daarbij komt, aldus de rechtbank, dat nu de vrouw op geen enkele manier bereid is om mee te werken aan enig contact tussen de man en [de zoon], het een illusie is om te verwachten dat een 'omgangsregeling-op-papier' ook een 'omgangsregeling-in-de-praktijk' zal worden.
1.11 De vader is van deze beschikking onder aanvoering van twee grieven in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
De moeder heeft verweer gevoerd en incidenteel appel ingesteld, waartegen de vader verweer heeft gevoerd.
1.12 Op 18 september 2002 is de zaak mondeling behandeld ter zitting van het hof in het bijzijn van partijen en hun advocaten, alsmede een vertegenwoordiger van de raad.
1.13 Bij beschikking van 16 oktober 2002 heeft het hof bepaald dat er met tussenpozen van twee weken, drie proefcontacten tussen de vader en [de zoon] zullen plaatsvinden onder begeleiding van de raad. Het hof heeft voorts de behandeling pro forma tot 22 februari 2003 aangehouden en de raad verzocht om tijdig voor de pro forma datum aan het hof te rapporteren over het verloop van de proefcontacten en het hof te adviseren omtrent de definitieve omgangsregeling. Iedere verdere beslissing is door het hof aangehouden.
1.14 Bij brief van 20 mei 2003 heeft de raad het hof laten weten geen proefcontacten te hebben kunnen organiseren en derhalve het hof niet te kunnen informeren over een omgangsregeling tussen [de zoon] en zijn vader, omdat de moeder onder geen enkele voorwaarde wil meewerken.
1.15 De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft op 28 januari 2004 plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen en hun raadslieden alsmede een vertegenwoordiger van de raad.
1.16 Bij beschikking van 10 maart 2004 heeft het hof in het principale en het incidentele hoger beroep de bestreden beschikking vernietigd, en opnieuw beschikkende een omgangsregeling tussen de vader en [de zoon] bepaald, inhoudende dat de vader voor een periode van drie maanden contact met [de zoon] zal hebben via het PRO-project in het omgangshuis te Rotterdam-Hoogvliet, gedurende eenmaal per twee weken, in overleg met en op aanwijzing van voormeld omgangshuis in te vullen. Het hof heeft voorts bepaald dat de vader na afloop van deze periode gerechtigd is om [de zoon] bij zich te hebben gedurende eenmaal per twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur en het meer of anders verzochte afgewezen.
1.17 De vrouw heeft tegen beide beschikkingen van het hof tijdig(2) beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft een verweerschrift ingediend.
De vrouw heeft nog een aanvullend verzoekschrift ingediend, waarop de man heeft gereageerd.
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1 Middel I, alsmede de eerste klacht van middel II zijn gericht tegen de vaststelling van de feiten. Volgens deze middelen was de affectieve relatie tussen partijen ten tijde van de geboorte van het kind al verbroken en zijn partijen drie weken later definitief uit elkaar gegaan en zag ook de samenwoning van partijen op de periode voor de geboorte.
2.2 Het hof heeft vastgesteld dat de moeder en de vader drie weken na de geboorte van [de zoon] definitief uit elkaar zijn gegaan en dat [de zoon] sindsdien bij de moeder verblijft.
2.3 Uit het proces-verbaal van de zitting van het hof van 18 september 2002 blijkt dat zowel de moeder als de vader hebben verklaard dat de vader op 12 augustus 1999 de samenwoning met de moeder heeft verbroken door uit huis weg te gaan(3). In het rapport van de raad van 9 januari 2001 is uit de mond van de moeder opgetekend dat de vader tot een aantal weken na de geboorte van [de zoon] bij hen heeft gewoond (p.2).
Dat het hof uit deze verklaringen van partijen en de stukken van het geding heeft afgeleid dat de relatie drie weken na de geboorte van [de zoon] is geëindigd is dan ook niet onbegrijpelijk(4).
Middel I en de eerste klacht van middel II falen derhalve.
2.4 Middel II is voor het overige gericht tegen de rechtsoverwegingen 6 en 7 van de beschikking van 16 oktober 2002, waarin het hof omtrent de ontvankelijkheid van het verzoek van de vader als volgt heeft overwogen:
"6. Het hof oordeelt als volgt.
De vader is de verwekker van [de zoon]. Volgens vaste jurisprudentie maakt deze kwaliteit van de vader op zich nog niet dat er sprake is van family life. Op grond van de onderstaande feiten en omstandigheden, in hun onderlinge verband gezien en gerelateerd aan de voornoemde kwaliteit van de vader, is het hof echter van oordeel dat family life in de zin van artikel 8 EVRMPro tussen de vader en [de zoon] moet worden aangenomen.
De ouders hebben een niet-kortstondige relatie gehad en hebben samengewoond. De relatie van de ouders en hun samenleving is eerst definitief verbroken ná de geboorte van [de zoon]. Zij hebben samen de voornamen van [de zoon] bepaald: de vader heeft de voornaam "[naam]" gekozen, de moeder de twee andere voornamen. Uit het raadsrapport van 9 januari 2001 blijkt dat het ook de intentie van de moeder is geweest om samen met de vader voor [de zoon] te zorgen. Aannemelijk is de stelling van de vader, nu deze door de moeder onweersproken is gebleven, dat de ouders samen het geboortekaartje van [de zoon] hebben opgesteld en verzonden.
Het hof volgt bij zijn oordeel de eveneens vaste jurisprudentie, dat ook feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de periode voor de geboorte van [de zoon] meewegen bij het oordeel omtrent family life.
7. Nu er sprake is van family life tussen de vader en [de zoon] is daarmee vast komen te staan dat de vader in een nauwe persoonlijke betrekking (als bedoeld in artikel 1:377f BW) staat tot [de zoon]. De vader is dan ook ontvankelijk in zijn inleidende verzoek."
2.5 Het middel bevat drie klachten met als kern dat er geen sprake is geweest van family life en dat de vader mitsdien niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgang. Deze klachten regarderen, aldus het middel, ook de oordelen van het hof die op de ontvankelijkheid zijn gebaseerd.
2.6 Art. 1:377f BW, dat in 1995 is ingevoerd(5), bepaalt dat de rechter op verzoek een omgangsregeling kan vaststellen tussen het kind en degene die tot het kind in een nauwe persoonlijke betrekking staat. Gelet op de wetsgeschiedenis moet de term "nauwe persoonlijke betrekking" worden beschouwd als een Nederlandse vertaling van vie familiale/family life van art. 8 lid 1 EVRMPro(6). De eisen die aan het bestaan van family life gesteld worden, zijn steeds afhankelijk van de context waarbinnen op art. 8 EVRMPro een beroep wordt gedaan(7).
De bepaling van art. 1:377f BW is van toepassing op een verzoek van de verwekker die het kind niet heeft erkend, nu deze geen ouder is in de zin van art. 1:377a BW(8).
2.7 Voor de ontvankelijkheid van de biologische vader tot het treffen van een omgangsregeling is het biologisch vaderschap alleen onvoldoende voor het aannemen van family life(9). De Hoge Raad heeft al vóór de invoering van art. 1:377f BW beslist dat voor de ontvankelijkheid van het verzoek bijkomende omstandigheden nodig zijn waaruit voortvloeit dat er tussen de biologische vader en het kind een band bestaat die kan worden aangemerkt als vie familiale/family life in de zin van art. 8 EVRMPro. Pas als daarvan sprake is, kan een onderzoek plaatsvinden naar de gerechtvaardigheid van een omgangsregeling(10).
2.8 Wat betreft de bijkomende omstandigheden kan gedacht worden aan een relatie tussen de vader en de moeder die in voldoende mate op één lijn valt te stellen met die van een huwelijk(11) of feitelijke contacten met het kind na de geboorte(12). Ook een combinatie van factoren die zich deels voor en deels na de geboorte afspelen, in onderling verband en samenhang beschouwd kunnen tot de conclusie leiden dat sprake is van family life(13).
2.9 De waardering van de bijkomende omstandigheden is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt(14).
2.10 Samenwonen is geen absoluut noodzakelijke voorwaarde voor het aannemen van family life(15). Wordt een kind geboren uit een relatie die in voldoende mate met die van een huwelijk op één lijn valt te stellen, dan moet worden aangenomen dat de enkele geboorte tussen dat kind en zijn beide ouders een als family life in de zin van art. 8 EVRMPro aan te merken betrekking doet ontstaan, ook als die geboorte plaatsvindt nadat de samenleving tussen de ouders definitief is verbroken(16). De omstandigheid dat het contact tussen de verwekker en het kind enige tijd achterwege is gebleven, maakt geen einde aan het family life. Daarvoor zijn ook nog andere zwaarwegende feiten en omstandigheden nodig(17). Deze omstandigheden kunnen wel een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of een omgangsregeling toewijsbaar is(18).
2.11 Het hof heeft in rechtsoverweging 6 van zijn tussenbeschikking allereerst geoordeeld dat het feit dat de vader de verwekker van [de zoon] is op zich nog niet betekent dat sprake is van family life. Vervolgens komt het hof op grond van de in die rechtsoverweging opgesomde feiten en omstandigheden in hun onderlinge verband gezien en gerelateerd aan het feit dat de vader de verwekker is, tot de conclusie dat family life in de zin van art. 8 EVRMPro tussen de vader en [de zoon] moet worden aangenomen. Daarbij heeft het hof feiten een omstandigheden die betrekking hebben op de periode vóór de geboorte van [de zoon] meegewogen bij zijn oordeel omtrent family life.
Deze oordelen geven, gelet op het hiervoor onder 2.7 en 2.8 vermelde, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
2.12 Het hof heeft de volgende bijkomende omstandigheden in zijn beoordeling betrokken:
- De ouders hebben een niet-kortstondige relatie gehad en hebben samengewoond.
- De relatie van de ouders en hun samenleving is eerst definitief verbroken na de geboorte van [de zoon].
- Partijen hebben samen de voornamen van [de zoon] bepaald; de vader heeft de voornaam "[naam]" gekozen, de moeder de twee andere voornamen.
- Uit het raadsrapport van 9 januari 2001 blijkt dat het ook de intentie van de moeder is geweest om samen met de vader voor [de zoon] te zorgen.
- De ouders hebben samen het geboortekaartje van [de zoon] opgesteld en verzonden.
Ik acht het niet onbegrijpelijk dat het hof uit deze (bijkomende) feiten en omstandigheden heeft afgeleid dat er sprake was van family life tussen de vader en [de zoon](19).
2.13 De klacht dat de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden dat de ouders samen de voornamen hebben bepaald, samen het geboortekaartje hebben verzonden en dat de moeder de intentie had om samen met de vader voor het kind te zorgen niet dragend zijn om family life aanwezig te achten, miskent dat het hof naast het verwekkerschap van de vader ook nog andere omstandigheden in onderling verband en samenhang met de reeds genoemde aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.
2.14 Bij de klacht dat sprake moet zijn van vie familiale in de zin van "de gezamenlijkheid van die samenleving, het echte samenleven in die of deze dagelijkse verbondenheid", wordt eraan voorbij gezien dat samenwonen geen conditio sine qua non is voor het aannemen van family life(20).
2.15 Tot slot klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat ook feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de periode vóór de geboorte (volgens) vaste jurisprudentie meewegen bij het oordeel omtrent family life "een onterechte veralgemenisering inhoudt, nu het hier gaat om een 'kunnen' meewegen, dus niet een absolute en/of zelfstandige beoordelingsgrond, of te wel, gelijk hierboven betoogd, moet het met name gaan om die gezamenlijkheid van de samenleving na de geboorte van het kind."
2.16 Ook deze klacht faalt.
Bij de beoordeling of sprake is van family life in de zin van art. 8 EVRMPro en de nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in art. 1:377f BW mogen de aard en de bestendigheid van de aan de geboorte van het kind voorafgegane relatie tussen de moeder en de verwekker van het kind niet buiten beschouwing worden gelaten(21).
2.17 Middel III keert zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 11 van zijn tussenbeschikking dat in de persoon van de vader geen contra-indicaties zijn te vinden voor de vaststelling van een omgangsregeling.
2.18 Bij het betoog dat er in de persoon van de vader wel degelijk contra-indicaties voor de vaststelling van een omgangsregeling zijn, geeft het middel niet aan waarom het door het hof in rechtsoverweging 6 gegeven oordeel rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Het middel voldoet in zoverre niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.
Het middel herhaalt in het aanvullend verzoekschrift slechts een aantal beschuldigingen die de vrouw ter zitting van het hof van 28 januari 2004 aan het adres van de vader heeft gericht. Voor louter een herhaling van het feitelijke debat is in cassatie echter geen plaats.
2.19 Overigens acht ik het oordeel van het hof, dat m.i. inhoudt dat er geen contra-indicaties in de persoon van de vader aanwezig zijn om een omgangsregeling geheel achterwege te laten, niet onbegrijpelijk gelet op de stukken van het geding.
De vader heeft aan de raad toestemming gegeven informatie over hem in te winnen bij het Boumanhuis en om een uittreksel van het Justitieel Documentatieregister op te vragen.
Uit het rapport van de raad blijkt dat bij controles door het Boumanhuis nimmer drugsgebruik is geconstateerd. De vader is blijkens een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister in augustus 1998 voor het laatst met de politie in aanraking gekomen(22). Ook in appel heeft de raad uitgezocht of de vader nog met Justitie in aanraking komt. Daarvan is de raad niet gebleken(23).
Voor het overige heeft de vader de stellingen van de moeder betwist.
2.20 Middel III faalt mitsdien.
2.21 Middel IV is gericht tegen rechtsoverweging 7 van de eindbeschikking, waarin het hof als volgt heeft overwogen:
"Het hof overweegt ten slotte nog het volgende: de moeder geeft er door haar houding blijk van haar ouderschapsverantwoordelijkheid jegens de andere ouder in relatie tot [de zoon] niet in alle opzichten aan te kunnen. Dit baart het hof zorgen en roept ook de vraag op of de moeder wel in staat is haar ouderschap op andere gebieden adequaat uit te oefenen. Van de moeder verwacht het hof dat zij - in haar hoedanigheid van zorgzame ouder - [de zoon] de ruimte geeft omgang met de vader te hebben. Wanneer de moeder deze inzet niet daadwerkelijk toont, kan dit mogelijk aanleiding geven tot het doen van een beschermingsonderzoek."
Volgens het middel zijn de uitingen van het hof in rechtsoverweging 7 van de eindbeschikking in strijd met het recht, nu de vrouw is opgekomen voor het belang van het kind. Het middel acht de verwijten aan de vrouw niet passend aangezien twee van de drie raadsheren die bij de eerste beschikking waren betrokken de eindbeschikking niet hebben meegewezen.
2.22 Het middel bevat geen klacht die aan de eisen voldoet, nu niet wordt aangegeven waarom het oordeel in strijd met het recht zou zijn en behoeft derhalve geen bespreking.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie de tussenbeschikking van het hof van 16 oktober 2002.
2 Het cassatieverzoekschrift is op 10 juni 2004 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
3 In het proces-verbaal 18 september 2002 spreekt de moeder op p. 4 over de 2 1/2 week waarin de vader niets gedaan zou hebben. Uit de context blijkt dat zij daar doelt op de periode van tweeënhalve week na de geboorte van [de zoon]. In het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 25 mei 2000 ( p. 2) heeft de moeder ook de datum van 12 augustus 1999 genoemd.
4 Op de voet van art. 419 lid 3 RvPro. in verbinding met art. 429 lid 2 RvPro. is de Hoge Raad ook in rekestzaken gebonden aan hetgeen in de bestreden uitspraak omtrent de feiten is gesteld. Die vaststelling kan slechts op begrijpelijkheid met een motiveringsklacht worden bestreden, zie Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, 1989, nrs. 121, 162; Burgerlijke Rechtsvordering, Korthals Altes, art. 419 RvPro., aant. 5; W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2003, p. 41-42.
5 Wet van 6 april 1995, Stb. 240, inwerkingtreding 2 november 1995.
6 Asser-de Boer, Personen- en familierecht, 2002, p. 753; S.F.M. Wortmann, J. van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht, 2002, p. 207; M.J.A. van Mourik, A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht, 2002, p. 238; P. Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2002, p. 337; S.F.M. Wortmann, Personen- en familierecht (losbl.), art. 377f, aant. 2.
7 HR 22 december 1995, NJ 1996, 419.
8 HR 15 november 1996, NJ 1997, 423 m.nt. JdB.
9 Zie onder meer HR 22 december 1995, NJ 1996, 419; HR 5 juni 1998, NJ 1999, 129 m.nt. JdB; EHRM 1 juni 2004, NJ 2004, 667 m.nt. JdB.
10 HR 10 november 1989, NJ 1990, 628 m.nt. EAAL en EAA. Herhaald in o.m. HR 24 april 1992, NJ 1992, 478; HR 29 september 2000, NJ 2000, 654. Deze ontvankelijkheidseis geldt ook voor het verzoek tot het opleggen van een informatieplicht, aldus HR 17 december 1993, NJ 1994, 360.
11 Bijvoorbeeld HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 153 m.nt.WH-S; EHRM 26 mei 1994, NJ 1995, 247 (Keegan); EHRM 27 oktober 1994, NJ 1995, 248 m.nt JdB (Kroon); HR 22 december 1995, NJ 1996, 419.
12 Onder meer HR 4 januari 1991, NJ 1991, 253 (onvoldoende bijkomende omstandigheden); HR 24 april 1992, NJ 1992, 478 (de bezoeken van de vader in het ziekenhuis leidde niet tot een zodanig nauwe band tussen vader en kind dat gesproken kon worden van family life); HR 29 september 2000, NJ 2000, 654 (bijkomende omstandigheden kunnen gelegen zijn in de met het kind na de geboorte opgebouwde relatie); EHRM 1 juni 2004, NJ 2004, 667 m.nt. JdB. Zie voorts het overzicht in Asser-de Boer, Personen- en familierecht, 2002, nr. 13a met verdere verwijzingen.
14 Kritisch daarover S.F.M. Wortmann in haar annotatie onder nrs. 4 en 5 onder HR 19 mei 2000, NJ 2000, 545. In HR 5 juni 1998, NJ 1999, 129 m.nt. JdB liet de HR het feitelijk oordeel van het hof dat geen sprake was van family life in stand. Het EHRM kwam op basis van de feiten ("bijkomende omstandigheden") in die zaak tot de conclusie dat er wel sprake was van family life (EHRM 1 juni 2004, Application no. 45582/99, NJ 2004, 667 m.nt. JdB). Zie over deze zaak voorts: M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, Lebbink tegen Nederland, EB nr. 9, 2004, p. 123-126. Volgens S.F.M. Wortmann, Personen- en familierecht (losbl.), art. 377f, aant. 2, is niet erg duidelijk waar de grenzen precies liggen tot het aannemen van family life.
15 O.m. EHRM 21 juni 1988, NJ 1988, 746 m.nt. EAA (Berrehab); EHRM 26 mei 1994, NJ 1995, 247 (Keegan); EHRM 27 oktober 1994, NJ 1995, 248 m.nt. JdB (Kroon); HR 8 december 1995, NJ 1996, 405 m.nt. JdB.
16 HR 10 november 1989, NJ 1990, 628; HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 153 m.nt. WH-S.
17 HR 11 juni 1993, NJ 1993, 560; HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 153 m.nt. WH-S.
18 HR 11 juni 1993, NJ 1993, 560.
19 Uit het dossier valt nog op te maken dat de vader kerstmis 1999 op bezoek is geweest, p-v 25 mei 2000, p. 2; p-v 18 september 2002, p. 2. Ook na de geboorte van [de zoon] is de vader af en toe langs geweest, zie rapport raad van 9 januari 2001, p. 2.
20 O.m. EHRM 21 juni 1988, NJ 1988, 746 m.nt. EAA (Berrehab); EHRM 26 mei 1994, NJ 1995, 247 (Keegan); EHRM 27 oktober 1994, NJ 1995, 248 m.nt. JdB (Kroon); HR 8 december 1995, NJ 1996, 405 m.nt. JdB.
21 HR 22 december 1995, NJ 1996, 419. Van Mourik/Nuytinck, a.w., p. 239.
22 Rapport omgangsregeling van 9 januari 2001, p. 3-4.