ECLI:NL:PHR:2005:AT5573
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Omgangsregeling biologische vader met minderjarig kind bij gezag moeder
In deze zaak verzocht de biologische vader, die het kind niet heeft erkend en waarbij de moeder het gezag heeft, om een omgangsregeling met zijn minderjarige zoon. De rechtbank stelde vast dat sprake was van family life tussen vader en kind en gaf de Raad voor de Kinderbescherming opdracht tot onderzoek en advies. Na diverse proefcontacten die niet konden plaatsvinden wegens weigering van de moeder, wees de rechtbank het verzoek af vanwege de onwil van de moeder en de mogelijke negatieve gevolgen voor het kind.
Het hof vernietigde deze beschikking en bepaalde een omgangsregeling via een begeleidingsproject, waarna de moeder cassatie instelde. De Hoge Raad oordeelde dat het biologisch vaderschap op zich onvoldoende is voor het aannemen van family life, maar dat bijkomende omstandigheden, zoals een niet-kortstondige relatie, samenwoning, gezamenlijke keuze van voornamen en intentie om samen voor het kind te zorgen, dit wel aannemelijk maken.
De Hoge Raad bevestigde dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgangsregeling op grond van artikel 1:377f BW, dat een nauwe persoonlijke betrekking vereist die gelijkgesteld wordt aan family life in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de weigering van de moeder om mee te werken niet zonder meer tot afwijzing mag leiden als er geen contra-indicaties zijn tegen omgang. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen; de vader is ontvankelijk in zijn verzoek tot omgangsregeling.