ECLI:NL:PHR:2005:AT5772

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03669/04 A
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 295 Sr
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring causaal verband tussen vrijheidsberoving en dood slachtoffer

In deze Antilliaanse strafzaak stond de vraag centraal of de dood van het slachtoffer het gevolg was van de wederrechtelijke vrijheidsberoving door verdachte en zijn mededaders. Het hof had geoordeeld dat het voor verdachte voorzienbaar was dat de vrijheidsberoving zou eindigen met de dood van het slachtoffer, en verklaarde de dood als strafverzwarende omstandigheid bewezen.

De Hoge Raad oordeelt echter dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er een zodanig causaal verband bestond tussen de vrijheidsberoving en de dood van het slachtoffer dat deze aan verdachte kan worden toegerekend. De voorzienbaarheid van de dood is niet beslissend zonder dat duidelijk is of de vrijheidsberoving zelf heeft bijgedragen aan het overlijden.

Het lichaam van het slachtoffer werd geboeid en mishandeld aangetroffen, waarna het in de kofferbak van een auto werd gelegd en later doodgeschoten. De Hoge Raad benadrukt dat een verhoogd gevaar voor overlijden typisch door de vrijheidsberoving zelf moet zijn veroorzaakt, bijvoorbeeld bij een poging tot bevrijding.

Daarom is de bewezenverklaring omtrent de strafverzwarende omstandigheid onvoldoende gemotiveerd. Het vonnis wordt vernietigd voor zover het de strafverzwaring en strafoplegging betreft en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitkomst: Het causaal verband tussen vrijheidsberoving en dood slachtoffer is onvoldoende bewezen verklaard, waardoor het vonnis wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen.

Conclusie

Nr. 03669/04 A
Mr Machielse
Zitting 10 mei 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft op 21 september 2004 het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, waarbij verdachte voor het medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, de dood ten gevolge hebbende, tot zeven jaar gevangenisstraf was veroordeeld, bevestigd behoudens een wijziging in de bewijsconstructie.
2. Mr G.A.S. Maduro, advocaat op Curaçao, heeft cassatie ingesteld. Mr G. Spong, advocaat Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt over het bewijs. Met name zou het causaal verband tussen het feit en strafverzwarende omstandigheid, de dood van het slachtoffer, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen.
In het bevestigde vonnis is het volgende bewezenverklaard:
"(dat) hij op 5 oktober 2002 op het eiland Curaçao tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, hebbende hij verdachte, toen en daar tezamen met zijn mededaders opzettelijk voornoemde [slachtoffer] wederrechtelijk meegevoerd naar een woning te [plaats] en vastgehouden in die woning en geslagen en geschopt aan handen en voeten vastgebonden en met een vuurwapen althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bedreigd en vervolgens weggevoerd in de kofferbak van een auto, welk feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad."
Het bewezenverklaarde is strafbaar ingevolge art. 295 lid 3 WvSrNA Pro. Het Hof heeft over het causaal verband het volgende overwogen:
"Ter nadere motivering van de bewezenverklaring merkt het Hof nog het volgende op. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat voor verdachte voorzienbaar was dat de door hem medegepleegde wederrechtelijke vrijheidsberoving zou eindigen met de dood van het slachtoffer, [slachtoffer]. Om die reden is bewezen verklaard dat het tenlastegelegde feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad. Het Hof baseert zich hierbij in het bijzonder op het onderling verband tussen de volgende feiten:
- tijdens de, aan de dood van het slachtoffer voorafgaande, mishandeling van het slachtoffer was reeds, in aanwezigheid van verdachte, door medeverdachte [medeverdachte 1] een geladen revolver in de mond van het slachtoffer geplaatst;
- medeverdachte [medeverdachte 2] zei toen dat [medeverdachte 1] het slachtoffer toch niet in de woning kon doodschieten;
- daarop is het slachtoffer aan handen en voeten geboeid en, mede door verdachte, in de kofferbak van een auto gelegd, waarna [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] met die auto vertrokken."
De steller van het middel betoogt dat de gebezigde bewijsmiddelen geen aanknopingspunt bevatten voor 's hofs oordeel dat het voor verdachte voorzienbaar was dat de door hem medegepleegde wederrechtelijke vrijheidsberoving zou eindigen met de dood van slachtoffer.
3.2. Het middel behoeft geen bespreking op grond van het volgende. Uit de bewijsmiddelen is af te leiden dat op 7 oktober 2002 het lichaam van het slachtoffer op de vlakte van San Pedro is aangetroffen met geboeide handen en benen. Het slachtoffer zou door drie mannen zijn opgewacht in verband met een geschil over drugs. In een afgebrande woning is het geboeide slachtoffer vervolgens zwaar mishandeld door de drie mannen, onder wie verdachte. Het slachtoffer is vervolgens in de kofferbak van de auto van een vierde gelegd en de mannen zijn in twee auto's weggereden. De auto met het slachtoffer en twee inzittenden, '[medeverdachte 1]' en '[medeverdachte 3]" is naar de vlakte van San Pedro gereden, waar het slachtoffer is doodgeschoten. '[Medeverdachte 1]' die uiteindelijk het slachtoffer heeft doodgeschoten had eerder doen blijken het slachtoffer al in het huis, waar het slachtoffer werd mishandeld, dood te willen schieten maar is daar door een ander van afgehouden.
Niet kan worden bewezenverklaard dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving de dood tot gevolg heeft gehad. Van zo een door het gevolg gekwalificeerde vrijheidsberoving zou wel sprake zijn geweest als de kans op het overlijden van het slachtoffer typisch door de vrijheidsberoving zou zijn vergroot, bijvoorbeeld als het slachtoffer zou zijn overleden bij een poging zich te bevrijden. Het BGH eist voor de delicten die de dood ten gevolge hebben de verwerkelijking van het "eigentümliche Gefahr für das Leben".(1) Ook de Hoge Raad kiest voor zo een benadering. In een zaak waarin verdachte was veroordeeld voor gijzeling, de dood ten gevolge hebbende, oordeelde de Hoge Raad dat de bewijsmiddelen niets inhielden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de dood van de gegijzelde het gevolg is geweest van de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Vastgesteld was dat de persoon die werd gegijzeld tijdens die gijzeling was gewurgd.(2) De wederrechtelijke vrijheidsberoving verhoogt immers niet uit zichzelf het gevaar voor zo een afloop.
De bewezenverklaring is daarom wat betreft de strafverzwarende omstandigheid onvoldoende met redenen omkleed.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis voorzover inhoudende de beslissingen ten aanzien van de telastegelegde strafverzwarende omstandigheid en de strafoplegging en tot terugwijzing van de strafzaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 BGH 4 november 1997, NStZ 1998, p. 345; BGH 12 december 2000, NStZ 2001, p. 313.
2 HR 22 september 1998, NJ 1999, 104 m.nt. dH en voorafgegaan van een uitgebreide en zeer leerzame conclusie van mr Van Dorst.