ECLI:NL:PHR:2005:AT5834
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens wederrechtelijk dwingen ondergeschikte tot seksuele vernedering binnen militaire gezagsverhouding
In deze strafzaak werd de verdachte, een militaire meerdere, ervan beschuldigd zijn ondergeschikte te hebben gedwongen tot het ondergaan van seksuele vernederingen binnen een militaire context. Het hof stelde vast dat verdachte het slachtoffer naar een kamer leidde die niet voor hem bestemd was, waar het slachtoffer werd blootgesteld aan vernederingen zoals uitkleden, betasting en het moeten overnachten tussen naakte mariniers.
De verdediging voerde onder meer aan dat er sprake was van een militaire cultuur waarin dergelijke grappen voorkwamen en dat er toestemming was van een superieur. Het hof oordeelde echter dat verdachte wederrechtelijk handelde en dat hij opzet had, althans voorwaardelijk, op de wederrechtelijkheid van zijn handelen. Het beroep op verschoonbare dwaling werd verworpen.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat sprake was van wederrechtelijk dwingen door feitelijkheid in de zin van art. 284 Sr Pro, en dat het hof voldoende bewijs had voor het opzet op wederrechtelijkheid. Ook werd geoordeeld dat de dagvaarding en bewezenverklaring voldoende duidelijk en consistent waren. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de opgelegde taakstraf.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor wederrechtelijk dwingen met een taakstraf van veertig uur.