ECLI:NL:PHR:2005:AT5936
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling medeplegen bedrieglijke bankbreuk advocaat ondanks beroep op wettelijke voorschriften
De zaak betreft een advocaat die samen met zijn mededader, die in staat van faillissement was verklaard, baten verzweeg voor de curator door gebruik te maken van een derdengeldenrekening. De advocaat stond de failliete cliënt bij in diens faillissementsprocedure en gebruikte zijn bankrekening om gelden buiten het faillissement te houden.
De verdediging voerde aan dat de handelingen van de advocaat voldeden aan de Boekhoudverordening 1998 en dat hij zich daarom op art. 42 Sr Pro kon beroepen, dat strafuitsluiting biedt voor het handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. Dit werd door het hof en bevestigd door de Hoge Raad verworpen, omdat de wettelijke regeling van het faillissement prevaleert en de advocaat zich bewust was van de onrechtmatigheid.
Verder werd betoogd dat het verschoningsrecht van de advocaat was geschonden door het gebruik van bankafschriften en afluistering van telefoongesprekken. Ook dit verweer werd verworpen omdat het verschoningsrecht niet geldt bij misbruik ervan voor strafbare feiten en het belang van waarheidsvinding prevaleert.
De Hoge Raad verwierp alle middelen van cassatie en bevestigde de veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf. De zaak benadrukt de grenzen van het beroep op wettelijke voorschriften en het verschoningsrecht in strafzaken waarbij advocaten betrokken zijn.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de advocaat voor medeplegen van bedrieglijke bankbreuk met een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf.