ECLI:NL:PHR:2005:AT6200
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitlevering van Nederlandse onderdaan voor tenuitvoerlegging vrijheidsstraf ontoelaatbaar verklaard
In deze zaak ging het om een uitleveringsverzoek van België gericht op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf tegen een Nederlandse onderdaan. De rechtbank te Groningen had op 2 juni 2004 de uitlevering ter vervolging toelaatbaar verklaard, maar tegen deze uitspraak werd cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad vernietigde bij tussenarrest van 23 november 2004 de beslissing van de rechtbank en heropende het onderzoek.
De verdediging stelde dat de opgeëiste persoon bij zijn aanhouding en inbewaringstelling op de hoogte was gesteld van het verstekvonnis van 30 januari 1996 van de correctionele rechtbank te Brussel en dat tegen dit vonnis geen verzet was ingesteld, waardoor het vonnis onherroepelijk was geworden. De Belgische autoriteiten bevestigden dat het vonnis definitief was en het verzoek nu strekte tot tenuitvoerlegging van de straf.
Omdat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit bezit en Nederland op grond van artikel 4 van Pro het uitleveringsverdrag geen Nederlandse onderdanen uitlevert ter executie van een straf, oordeelde de Hoge Raad dat uitlevering niet mogelijk was. Het verzoek tot uitlevering werd daarom ontoelaatbaar verklaard.
Deze uitspraak bevestigt het belang van het nationale voorbehoud in uitleveringsverdragen en de bescherming van Nederlandse onderdanen tegen uitlevering voor strafuitvoering in het buitenland.
Uitkomst: Het uitleveringsverzoek van België voor tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf tegen een Nederlandse onderdaan is ontoelaatbaar verklaard.