ECLI:NL:PHR:2005:AT6200

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02438/04 U II
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.1 Overeenkomst uitlevering EUArt. K.3 Verdrag betreffende de EUArt. 4 Overeenkomst uitlevering EUArt. 187 Belgisch Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitlevering van Nederlandse onderdaan voor tenuitvoerlegging vrijheidsstraf ontoelaatbaar verklaard

In deze zaak ging het om een uitleveringsverzoek van België gericht op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf tegen een Nederlandse onderdaan. De rechtbank te Groningen had op 2 juni 2004 de uitlevering ter vervolging toelaatbaar verklaard, maar tegen deze uitspraak werd cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad vernietigde bij tussenarrest van 23 november 2004 de beslissing van de rechtbank en heropende het onderzoek.

De verdediging stelde dat de opgeëiste persoon bij zijn aanhouding en inbewaringstelling op de hoogte was gesteld van het verstekvonnis van 30 januari 1996 van de correctionele rechtbank te Brussel en dat tegen dit vonnis geen verzet was ingesteld, waardoor het vonnis onherroepelijk was geworden. De Belgische autoriteiten bevestigden dat het vonnis definitief was en het verzoek nu strekte tot tenuitvoerlegging van de straf.

Omdat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit bezit en Nederland op grond van artikel 4 van Pro het uitleveringsverdrag geen Nederlandse onderdanen uitlevert ter executie van een straf, oordeelde de Hoge Raad dat uitlevering niet mogelijk was. Het verzoek tot uitlevering werd daarom ontoelaatbaar verklaard.

Deze uitspraak bevestigt het belang van het nationale voorbehoud in uitleveringsverdragen en de bescherming van Nederlandse onderdanen tegen uitlevering voor strafuitvoering in het buitenland.

Uitkomst: Het uitleveringsverzoek van België voor tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf tegen een Nederlandse onderdaan is ontoelaatbaar verklaard.

Conclusie

Nr. 02438/04 U
Mr Jörg
Zitting 12 april 2005
Schriftelijke samenvatting inzake:
[de opgeëiste persoon]
1. De rechtbank te Groningen heeft op 2 juni 2004 de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van vervolging toelaatbaar verklaard.
2. Tegen deze uitspraak heeft de opgeëiste persoon beroep in cassatie ingesteld.
3. Bij tussenarrest van 23 november 2004 heeft de Hoge Raad de vernietiging uitgesproken van de beslissing van de rechtbank te Groningen.
4. Er heeft een feitelijke behandeling plaatsgevonden.
5. Bij tussenarrest van 18 januari 2005 heeft de Hoge Raad het onderzoek ter zitting heropend en de stukken in handen van de Procureur-Generaal gesteld teneinde van de Belgische Minister van Justitie vóór 15 maart 2005 antwoord te krijgen op de volgende vragen:
"a. Is, indien wordt uitgegaan van de hiervoor onder 3.3. vermelde, namens de opgeëiste persoon aangevoerde feiten en omstandigheden, te dezen sprake van een verzoek tot uitlevering dat (alsnog) strekt ten uitvoerlegging van een straf?
b. Zo neen, op grond van welk voorschrift of welke jurisprudentie, met name die van het Belgische Hof van Cassatie, moet dan worden aangenomen dat de in het uitleveringsverzoek bedoelde strafzaak nog verzet openstaat?"
6. Het onder 3.3 in het tussenarrest vermelde betreft het verweer van de verdediging dat opgeëiste persoon bij zijn aanhouding op 15 juli 2003 en bij zijn inbewaringstelling op 16 juli 2003 door de rechter-commissaris in verband met het uitleveringsverzoek in kennis is gesteld van genoemd verstekvonnis en de betekening van dat vonnis alsmede dat de opgeëiste persoon tegen dat vonnis geen verzet als bedoeld in art. 187 van Pro het Belgische Wetboek van Strafvordering heeft gedaan zodat, gelet op de in dat artikel genoemde termijnen, thans voor hem geen verzet meer openstaat en het vonnis onherroepelijk is geworden.
7. Op 6 april 2005 hebben de Belgische autoriteiten per telefax een schriftelijke reactie gestuurd. Hierin staat het volgende te lezen - voor zover relevant -:
"Uit de inhoud van uw brieven () betreffende mijn verzoek tot uitlevering van de Nederlandse onderdaan [de opgeëiste persoon] blijkt dat het verstekvonnis dd. 30 januari 1996 van de correctionele rechtbank te Brussel definitief is geworden zodat het verzoek tot uitlevering thans strekt tot tenuitvoerlegging van een straf."
8. Nu de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en Nederlanders ingevolge art. 4 Uw Pro niet ter executie van een straf aan een vreemde Staat worden uitgeleverd betekent dit dat uitlevering ter fine van executie niet mogelijk is.
9. Ik concludeer derhalve tot ontoelaatbaarverklaring van het verzoek tot uitlevering.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG