AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling draagkracht en onderhoudsverplichting na echtscheiding met betrekking tot kinderalimentatie
De zaak betreft een verzoek tot cassatie van de man tegen een beschikking van het hof inzake de vaststelling van zijn onderhoudsverplichting voor zijn dochter na echtscheiding. De rechtbank had bepaald dat de man kinderalimentatie moest betalen, welke het hof deels wijzigde.
De Hoge Raad overweegt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het inkomen van de vrouw op bijstandsniveau ligt en dat zij daarom geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. De man betoogde dat het hof ten onrechte geen rekening hield met zijn autokosten, maar de Hoge Raad stelt vast dat onvoldoende bewijs is geleverd dat deze lasten daadwerkelijk voor zijn rekening kwamen en dat de auto niet nodig was voor zijn huidige werkzaamheden.
Verder klaagde de man over het niet in aanmerking nemen van advocaatkosten als bijzondere last, maar de Hoge Raad bevestigt dat de Trema-normen geen recht in de zin van art. 79 ROPro vormen en dat de advocaatkosten geen voorrang hebben boven de onderhoudsverplichting. De klachten worden ongegrond verklaard en het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de beschikking van het hof blijft in stand.
Conclusie
Zaaknr. R04/112HR
Mr. Huydecoper
Parket, 27 mei 2005
Conclusie inzake
[de man]
verzoeker tot cassatie
tegen
[de vrouw]
verweerster in cassatie
Feiten en procesverloop(1)
1) De verzoeker tot cassatie, [de man], en de verweerster in cassatie, [de vrouw], zijn op 7 juni 1996 met elkaar getrouwd. Bij beschikking van 19 november 2003 heeft de rechtbank te Almelo echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 5 december 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2) [De man] en [de vrouw] hebben een dochter, [de dochter], geboren op [geboortedatum] 1995. Partijen oefenen over haar gezamenlijk het gezag uit. Zij heeft haar gewone verblijfplaats bij [de vrouw].
3) De rechtbank heeft bij de echtscheidingsbeschikking onder meer bepaald dat [de man] moet bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter]; en wel met ingang van 19 november 2003 met € 320,- per maand, en vanaf het moment dat [de man] eigenaar is van een door hem te kopen chalet (per 15 januari 2004) met € 239,- per maand.
4) [De man] stelde hoger beroep in. Hij klaagde in appel (alleen) over de hem opgelegde onderhoudsverplichting. [De vrouw] stelde incidenteel hoger beroep in, eveneens (alleen) betreffende de onderhoudsbijdrage voor [de dochter].
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank (gedeeltelijk) vernietigd, en bepaald dat [de man] kinderalimentatie moet betalen naar rato van € 320,- per maand in de periode van 19 november 2003 tot 5 april 2004, en € 300,- per maand vanaf 5 april 2004.
5) Namens [de man] is - tijdig en regelmatig(2) - cassatieberoep ingesteld. Van de kant van [de vrouw] is (ook) in cassatie verweer gevoerd.
Bespreking van de cassatiemiddelen
6) Ik stel voorop dat de rechter die over de feiten oordeelt, een aanzienlijke marge van vrijheid heeft bij de vaststelling en waardering van de omstandigheden die bepalend zijn voor de draagkracht van de alimentatieplichtige(n) en de behoefte van de alimentatiegerechtigde(n). Aan beslissingen - als de onderhavige - die uitsluitend het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op draagkracht en behoefte aangevoerde omstandigheden betreffen, kunnen in het algemeen geen hoge motiveringseisen worden gesteld(3).
7) Over de draagkracht van [de vrouw] is in de bestreden beschikking overwogen (rov. 4.2)(4):
"De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling onbetwist verklaard dat haar aanvullende bijstandsuitkering per 1 januari 2004 is beëindigd omdat haar inkomen, bestaande uit haar WAO-uitkering met toeslagen en de door haar van [de man] ontvangen kinderalimentatie, net boven de bijstandsnorm is komen te liggen. Naar het oordeel van het hof staat dan ook vast dat de vrouw een inkomen heeft op bijstandsniveau en dat er aan haar zijde geen draagkracht is om, zoals door [de man] verzocht, naar rato in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind bij te dragen."
8) Zoals namens [de vrouw] met juistheid wordt opgemerkt, kan als uitgangspunt dienen dat draagkracht ontbreekt als het inkomen van de betrokkene niet boven de - voor die betrokkene geldende - bijstandsnorm uitkomt(5). Het hof heeft vastgesteld dat het inkomen van [de vrouw] net boven de bijstandsnorm is komen te liggen. Deze vaststelling wordt op zich namens [de man] niet bestreden. Het hof heeft kennelijk aangenomen dat het verschil tussen het huidige inkomen van [de vrouw] en de bijstandsnorm zo klein is dat het verschil niet terzake doet; en dat er daarom geen sprake is van een inkomen dat draagkracht oplevert. Het hof brengt dat tot uitdrukking in de vaststelling dat "de vrouw een inkomen heeft op bijstandsniveau".
Dit oordeel vind ik - zeker tegen de achtergrond van de beperkte motiveringsplicht voor de alimentatierechter - bepaald niet onbegrijpelijk. Wat het middel onder A daartegen in stelling brengt, doet daaraan volgens mij niet af.
9) Onderdeel B van het middel klaagt over de beoordeling, door het hof, van [de man]s beroep op een last ad € 150,- per maand in verband met een door [de man] aangeschafte auto (Toyota).
Bij de beoordeling van deze klacht moet rekening worden gehouden met het feit dat het hof zijn oordeel over het hier aan de orde zijnde punt heeft gebaseerd op twee gronden, en dat ieder van die gronden dat oordeel zelfstandig kan dragen. Het middel bestrijdt dan ook beide gronden; maar het doet dat volgens mij in beide gevallen tevergeefs.
10) In onderdeel B gaat het om de eerste van de twee door het hof gebezigde gronden: er zou onvoldoende zijn gebleken dat [de man] de hier bedoelde lasten werkelijk voor zijn rekening nam. De klacht komt erop neer dat het hof eraan voorbij zou hebben gezien dat uit de stukken blijkt van méér betalingen terzake van de hier bedoelde last, dan het hof in zijn beoordeling heeft betrokken.
In de processtukken was echter nergens aangevoerd dat er stukken als bewijs van betalingen terzake van de onderhavige last werden ingebracht. Het stuk dat in het middelonderdeel wordt aangehaald is (in alinea 5 van het verweerschrift in appel) genoemd als ondersteuning in verband met de daar besproken hypotheeklasten. Daarbij is niet verwezen naar de lasten voor de auto(6). Het bedoelde stuk verwijst ook naar een (Alcredis-)rekening waarvan niet dadelijk duidelijk is dat die op de (Toyota-)auto betrekking zou hebben. Bovendien gaat het hier om een afrekening van een girorekening die op naam van [de man] en (om precies te zijn: en/of) diens huidige echtgenote [betrokkene 1] staat; zodat men ook zou kunnen denken dat de desbetreffende betaling een schuld ten laste van [betrokkene 1] betrof, althans dat die (mede) te haren laste is gekomen.
Zonder feitelijke onderbouwing in de stellingen van [de man] op dit punt, kon het hof daarom niet tot de conclusie komen dat de hier bedoelde betaling moest worden betrokken op de lasten terzake van de auto (de Engelse zegswijze "jumping to conclusions" drukt bondig uit, waarom dat zo is)(7).
11) Als tweede grond voor het voorbijgaan aan de opgevoerde lasten in verband met de auto, merk ik aan, de aan het slot van rov. 4.6 voorkomende vaststelling dat [de man] de auto niet nodig heeft voor zijn huidige werkzaamheden; ik begrijp die vaststelling zo, dat lasten terzake van een auto die men niet nodig heeft, niet mogen worden "meegenomen" bij de beoordeling van de draagkracht als het gaat om het onderhoud dat men voor zijn kinderen heeft op te brengen(8).
12) Hierover klaagt middelonderdeel B aan het slot. Daar wordt echter alleen aangevoerd dat het hof de "autolasten" wel in aanmerking had moeten nemen voor het tijdvak vóór de "huidige werkzaamheden" van [de man].
Dat betoog gaat niet op omdat [de man] in die periode over een hoger inkomen beschikte, dan hij uit hoofde van de "huidige werkzaamheden" zou genieten. Dat blijkt uit rov. 3.4 van de bestreden beschikking(9). Dat verklaart (voldoende) waarom het hof het onderhavige gegeven alleen in de relatie tot de huidige werkzaamheden van [de man] in aanmerking heeft genomen. Kennelijk heeft het hof bevonden dat de lasten bij het eerdere inkomen hoe dan ook geen reden opleverden om [de man]s draagkracht te beoordelen als onvoldoende voor het betalen van de vastgestelde bijdrage. In de summiere overweging die het hof aan dit gegeven wijdt, komt dat duidelijk genoeg tot uitdrukking(10).
13) Onderdeel C van het middel klaagt dat het hof voorbij is gegaan aan [de man]s beroep op de te zijnen laste komende kosten van rechtsbijstand. Daartoe doet het onderdeel in de eerste plaats een beroep op de zgn. Trema-normen(11).
Anders dan hier wordt geponeerd, gelden de hier bedoelde aanbevelingen echter niet als "recht" in de betekenis van dat woord uit art. 79 ROPro(12). In cassatie kan daarom niet over rechtsschending in de vorm van miskenning van deze "normen" worden geklaagd.
14) Wel kan worden geklaagd dat de motivering van een beslissing niet aan de motiveringseis voldoet; en onverminderd het zojuist in alinea 6 besprokene, houd ik het voor mogelijk dat een beslissing die in het licht van de hier bedoelde "normen" als zeer ongerijmd treft, op die grond met succes in cassatie kan worden aangevochten.
Dat geval doet zich echter in de onderhavige zaak bepaald niet voor. De beschouwingen uit de "Trema"- aanbevelingen waar het middelonderdeel naar verwijst, nemen namelijk tot uitgangspunt dat advocaatkosten gemaakt in het kader van een familierechtelijke procedure, niet als noodzakelijke last voorrang hebben boven de onderhoudsverplichting. De aanbeveling voegt daaraan toe dat dit in bijzondere omstandigheden anders kan zijn (en vervolgt dan met enkele voorbeelden waarvan, gebiedt de eerlijkheid te zeggen, niet dadelijk in het oog springt dat daar van "bijzondere omstandigheden" kan worden gesproken)(13).
15) Het ligt in de rede dat het hof zich mede naar deze aanbeveling heeft gericht, waar het (in rov. 4.7) heeft geoordeeld dat de namens [de man] aangevoerde omstandigheden niet dusdanig bijzonder zijn dat advocaatkosten prioriteit (moeten) hebben boven de onderhoudsverplichting. Dat oordeel is in het licht van de aanbeveling niet ongerijmd - het sluit daar integendeel op begrijpelijke wijze bij aan. De motiveringsklacht van middelonderdeel C die - zo lees ik die - beperkt is tot een beroep op een discrepantie tussen 's hofs oordeel en de uitgangspunten van de Trema-aanbevelingen, is daarom evenmin gegrond als de daaraan voorafgegane klachten.
Ik laat dan maar daar of deze motiveringsklacht beantwoordt aan de in art. 426a lid 2 Rv tot uitdrukking komende maatstaf; maar vermeld toch maar, dat de onderbouwing van die klacht van een maximale beknoptheid is.
16) Zo kom ik ertoe, alle klachten van het middel als ongegrond aan te merken.
Conclusie
Ik concludeer tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 Zie voor een volledig overzicht van de vaststaande feiten rov. 3 van de bestreden beschikking.
2 De beschikking van het hof is van 13 juli 2004; het cassatierekest is ontvangen op 11 oktober 2004.
3 Vgl. Asser - De Boer, 1998, nrs. 620 en 1034; Losbladige Personen- en Familierecht, Wortmann, art. 1:157 BWPro, aant. 2; Civiele Conclusies 2002, p. 184/5 en p. 349; HR 1 februari 2002, NJ 2002, 184, rov. 3.5; HR 19 oktober 2001, rechtspraak.nl LJN nr. AB 2742, rov. 3.4; HR 9 februari 2001, rechtspraak.nl. LJN nr. AA 9899, rov. 3.3; HR 17 maart 2000, NJ 2000, 313, rov. 3.3 - 3.4; HR 10 december 1999, NJ 2000, 4, rov. 3.3; HR 26 juni 1998, NJ 1998, 672, rov. 3; HR 2 februari 1996, NJ 1996, 569, rov. 3.2; HR 24 november 1995, NJ 1996, 260, rov. 3.3; HR 24 december 1982, NJ 1983, 389, rov. 3.2; HR 25 november 1977, NJ 1978, 359 ("O. omtrent middel I").
4 Zie intussen ook de vaststellingen in rov. 3.6 van de bestreden beschikking.
5 Dit uitgangspunt strookt met de model-berekening van de draagkracht van een onderhoudsplichtige volgens de zgn. Trema-normen (door mij geraadpleegd via Personen- en familierecht (losbl.), Wortmann, bijlage bij art. 397; zie voor de meest recente gegevens www.verenigingvoorrechtspraak.nl (onder: adviezen en publicaties). Het draagkrachtloos inkomen wordt gevormd door de bijstandsnorm en andere noodzakelijke kosten voor levensonderhoud, zie bijvoorbeeld de §§ 4.3 en 21 van deze publicatie. (Het (rechts)karakter van de Trema-normen komt overigens verder nog ter sprake.)
6 Wie op bepaalde feiten een beroep wil doen moet dat op een zodanige wijze doen dat voor de rechter duidelijk is welke feiten hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren, zie bijvoorbeeld HR 15 juni 2001, NJ 2001, 573, rov. 3.3; HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 814, rov. 3.5.
7 Men zal bij raadpleging van de stukken opmerken dat de afrekening van 8 april 2004 die het hof blijkens rov. 4.6 in dit verband wèl in aanmerking heeft genomen, dezelfde onduidelijkheden vertoont als de (eerdere) afrekening waarop in onderdeel B van het middel een beroep wordt gedaan. Allicht klaagt [de man] echter niet dat het hof (ook) de afrekening van 8 april 2004 niet in de beoordeling had mogen betrekken; en overigens is te verwachten dat het bij de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof besprokene, de onduidelijkheid op dit punt (voldoende) zal hebben weggenomen (al geeft het proces-verbaal (van 15 juni 2004) daarover geen opheldering).
8 Zie bijvoorbeeld § 16 van de al eerder genoemde "Trema-normen".
9 Daar ziet men dat [de man] bij zijn vorige werkgever op jaarbasis ruim 29.000,- € verdiende, wat (rekening houdend met het vakantiegeld) ongeveer € 2.000 bruto per vier weken is; bij de "huidige" werkgever is dat € 1.838 bruto per vier weken.
10 Ik meen overigens dat het middel niet klaagt dat 's hofs oordeel in dit opzicht ondeugdelijk gemotiveerd zou zijn.
11 Bedoeld zijn ongetwijfeld de ook in voetnoten 5 en 8 hiervóór aangehaalde aanbevelingen van de werkgroep alimentatienormen van de NVvR, die (ook) in Trema worden gepubliceerd.
12 Zie bijv. HR 23 januari 1998, NJ 1998, 365, rov. 3.3; HR 1 december 1995, NJ 1996, 272, rov. 3.3; HR 1 november 1991, NJ 1992, 30, rov. 3.1; conclusie A-G Keus voor HR 27 februari 2004, NJ 2004, 283 m.nt. SW, onder 2.7; Teuben, Rechtersregelingen als 'recht' in de zin van art. 79 ROPro, 2001, p. 63; Heida, Alimentatie, de wettelijke onderhoudsplicht, 1997, p. 66.