ECLI:NL:PHR:2005:AT6529
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep echtscheiding en nevenvoorzieningen
Partijen zijn gehuwd en hebben minderjarige kinderen. De vrouw verzocht de rechtbank om echtscheiding uit te spreken, alimentatie vast te stellen, verblijfplaats van het kind bij haar te bepalen en de huwelijksgoederengemeenschap te verdelen. De man verzette zich tegen de nevenvoorzieningen, maar niet tegen de echtscheiding zelf, die hij ook verzocht.
De rechtbank sprak de echtscheiding uit maar hield beslissingen over gezag, verblijfplaats en omgang aan in afwachting van advies van de raad voor de kinderbescherming. De man ging in hoger beroep tegen de beschikking, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk voor het hoger beroep ten aanzien van de echtscheiding omdat hij geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die herstel van de band tussen echtscheiding en nevenvoorzieningen rechtvaardigen.
De Hoge Raad bevestigt deze rechtspraak en oordeelt dat het hoger beroep tegen de echtscheiding niet gebruikt kan worden om de echtscheiding ongedaan te maken. De man stelde dat de belangen van de kinderen eerst veiliggesteld moesten worden, onder meer vanwege de verblijfsstatus van de dochter, maar dit werd onvoldoende geacht. Het cassatieberoep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: De man wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep ten aanzien van de echtscheiding.