ECLI:NL:PHR:2005:AT6844
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige
De zaak betreft een verzoek tot cassatie van een moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind. De moeder was belast met het gezag over het kind, dat sinds 2001 in een pleeggezin verbleef. De verlenging van de machtiging werd door het hof bekrachtigd op grond van het belang van het kind, gelet op de psychische problematiek van de moeder en haar onvoldoende pedagogische kwaliteiten.
De moeder stelde dat de verlenging in strijd was met haar rechten op grond van artikel 8 EVRM Pro en diverse bepalingen uit het IVRK, en dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar haar bereidheid tot vrijwillige hulpverlening en de thuissituatie. De Hoge Raad overwoog dat het recht op family life onder artikel 8 EVRM Pro beperkingen kent indien deze bij wet zijn voorzien en noodzakelijk zijn ter bescherming van rechten van anderen, waaronder het kind.
De Hoge Raad stelde vast dat de termijn waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing gold inmiddels was verstreken en dat de moeder daardoor geen belang meer had bij het cassatieberoep. Dit volgt uit vaste jurisprudentie. De klachten van de moeder faalden ook inhoudelijk omdat het hof een discretionaire bevoegdheid had om de machtiging te verlengen en voldoende motivering had gegeven.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de moeder niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Hiermee blijft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in stand, gelet op het belang van de verzorging en opvoeding van het kind.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang door termijnoverschrijding.