AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt draagkrachttoets en motivering bij vaststelling kinderalimentatie na echtscheiding
Partijen zijn gehuwd geweest en hebben twee minderjarige kinderen. Na echtscheiding oefenden zij gezamenlijk het gezag uit, waarbij de kinderen bij de vrouw verbleven. De man verzocht bij de rechtbank om echtscheiding en kinderalimentatie, waarbij de vrouw een hogere alimentatie vorderde. De rechtbank bepaalde een oplopende kinderalimentatie, die het hof later wijzigde.
Het hof paste de eenoudernorm toe op de vrouw als verzorgende ouder en bepaalde dat de man een kinderalimentatie van €325 per maand per kind moest betalen, later €300, rekening houdend met de woonlasten en de feitelijke verzorging. De man stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking, stellende dat het hof onjuist had gehandeld door niet de norm voor alleenstaanden toe te passen en onvoldoende motivering te geven.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen rechtsregel heeft geschonden door de eenoudernorm toe te passen en dat het hof de motivering voldoende heeft gegeven. Het hof heeft terecht rekening gehouden met de woonlasten en de feitelijke verzorging van de vrouw, en de compensatiegedachte is niet onbegrijpelijk. De klachten van de man worden verworpen en het cassatieberoep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de beschikking van het hof inzake kinderalimentatie wordt bevestigd.
Conclusie
Rekestnr. R04/068HR
Mr. D.W.F. Verkade
Parket 27 mei 2005
Conclusie inzake:
[de man]
(hierna: de man)
tegen
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
1. Inleiding
1.1. Het gaat in dit cassatieberoep over de door het hof vastgestelde door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor de kinderen.
1.2. Naar mijn mening kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Rechtsvragen die beantwoording behoeven in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling, in de zin van art. 81 R.O., heb ik niet aangetroffen.
2. Feiten en procesverloop(1)
2.1. Partijen zijn op 23 maart 1978 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn de volgende nog minderjarige kinderen geboren:
- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1990, en
- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1998, hierna te noemen: de minderjarigen.
Na echtscheiding oefenen partijen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarigen. De minderjarigen verblijven sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw.
2.2. Bij verzoekschrift van 13 mei 2002 heeft de man bij de rechtbank te Rotterdam een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend.
De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de nevenverzoeken van de man. Voorts heeft zij zelfstandig verzocht - voor zover in cassatie nog relevant - te bepalen dat de man een kinderalimentatie dient te betalen van € 325,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
2.3. Bij beschikking van 31 maart 2003 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking heeft de rechtbank verder onder meer - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een kinderalimentatie dient te betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, van:
- € 235,- per maand per kind;
- € 260,- per maand per kind een jaar nadat deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, en;
- € 325,- per maand per kind vanaf het moment dat de verdeling van de gemeenschap daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, doch niet voordat de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
telkens vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de minderjarigen kan of zal worden verleend.
2.4. De echtscheidingsbeschikking is op 28 mei 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.5. De man is in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank van 31 maart 2003 bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw heeft een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend. De man heeft een verweerschrift in het incidenteel appèl ingediend. Voorts heeft de man bij het hof op 10 juli 2003, 18 september 2003 en 25 november 2003 aanvullende stukken ingediend. De vrouw heeft op 27 november 2003 aanvullende stukken overgelegd. Het hoger beroep is op 5 december 2003 mondeling behandeld.
2.6. Bij beschikking van 25 februari 2004 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd. De relevante overwegingen luiden als volgt:
'Behoefte van de minderjarigen
5. (...) acht het hof het redelijk de kosten van de twee minderjarigen, na aftrek van ontvangen kinderbijslag te bepalen op € 703,- per maand. Die kosten van de kinderen dienen door beide ouders te worden gedragen. Hieronder zal het hof beoordelen wat het aandeel van de vader in die kosten dient te zijn, gelet op de wederzijdse draagkracht van de ouders.'
(...)
'Wederzijdse draagkracht van de ouders
(...)
8. Ten aanzien van de door de moeder opgevoerde lasten oordeelt het hof als volgt. Het hof past de eenoudernorm toe op de moeder. Het hof kan de redenering van de man niet volgen om de alleenstaande norm toe te passen op de moeder, nu de moeder met de minderjarigen een éénoudergezin vormt en zij de feitelijke verzorging heeft voor de minderjarigen. (...)
9. Het hof is van oordeel, gelet op het voorgaande, dat de vader in staat is een kinderalimentatie te betalen van € 325,- per maand per kind, voor zover het de periode 28 mei 2003 tot 1 oktober 2003 betreft. Vanaf 1 oktober 2003 is het hof van oordeel dat de vader in staat is een kinderalimentatie te betalen van € 300,- per maand per kind. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de moeder de feitelijke opvoeding en verzorging voor rekening neemt, hetgeen enige compensatie op het financiële vlak rechtvaardigt. Daaruit volgt dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.'
2.7. Van deze beschikking is de man - tijdig(2)- in cassatieberoep gekomen. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1. Het middel bevat vier onderdelen. Het eerste en het derde onderdeel lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.2. Onderdeel 1 (9.1 - 9.3) komt met een rechtsklacht en een motiveringsklacht op tegen de passage in rov. 5 waarin het hof heeft overwogen dat het (in rov. 8, A-G) zal beoordelen wat het aandeel van de vader in de kosten dient te zijn, gelet op de wederzijdse draagkracht van partijen en, in aansluiting daarop tegen rov. 8, waarin het hof ten aanzien van de vrouw de eenoudernorm toepast.
Volgens het onderdeel had het hof gezien de inkomsten van partijen, de kosten voor de kinderen (€ 703,- per maand) gelijkelijk over partijen moeten verdelen. Het onderdeel neemt daarbij tot uitgangspunt dat de keuze voor de gewone verblijfplaats van de kinderen bij de vrouw, geen rol mag spelen bij de vaststelling van de hoogte van de door de man te betalen kinderalimentatie. Volgens het onderdeel had het hof derhalve bij de beoordeling van de draagkracht van beide partijen moeten uitgaan van de norm voor alleenstaanden. Dit uitgangspunt zou volgen uit het Rapport Alimentatienormen 2001 (Trema 2001 nr. 1a, par. 5.2.3.) en de vrijwel identieke inkomsten van partijen.
Ik geef gemakshalve hieronder de relevante passages uit dit rapport weer:
'5.2.3 Indien alleen kinderalimentatie moet worden vastgesteld
Wanneer de verzorgende ouder als rechthebbende op kinderalimentatie eigen inkomsten heeft, is er aanleiding om na te gaan of de onderhoudsplichtige in de volledige kosten van de kinderen moet voorzien. Ter bepaling van ieders aandeel in de kosten kan een draagkrachtvergelijking worden gemaakt. (...) Voor het geval toch volledige draagkrachtvergelijking wordt gemaakt beveelt de werkgroep aan de betrokken kinderen in de draagkrachtberekening buiten beschouwing te laten. Dat betekent dat de rechthebbende als alleenstaande wordt beschouwd, tenzij er nog andere gezinsleden zijn dan de kinderen van partijen. (...)'
Hoewel genoemde Tremanorm niet bindend is - zoals het onderdeel onderkent - is 's hofs oordeel volgens het onderdeel in het licht daarvan wel discriminerend jegens de man en derhalve onjuist althans onbegrijpelijk, zo begrijp ik het onderdeel.
3.3. Het derde onderdeel (10.1 en 10.2) klaagt dat het hof, nu het uitgaat van min of meer gelijke inkomsten van de man en de vrouw, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het van oordeel is dat de man een alimentatie dient te betalen van € 325,- per kind per maand, resp. € 300,- per kind per maand, nu het hof immers eerder heeft overwogen (rov. 5) dat de kosten (voor de beide kinderen € 703,- na aftrek van ontvangen kinderbijslag) door beide ouders dienen te worden gedragen. Voorts zou de door het hof verwoorde compensatiegedachte (rov. 9) dat de opvoeding en verzorging van de kinderen door de moeder enige compensatie op het financiële vlak rechtvaardigt, onjuist zijn, althans nadere motivering behoeven, nu dit niet logisch aansluit bij eerdergenoemd uitgangspunt (rov. 5) dat partijen de kosten voor de kinderen samen dragen.
3.4. In het algemeen geldt dat de rechter aan de hand van enerzijds de behoefte van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon, een bedrag voor levensonderhoud voor bloed- en aanverwanten vaststelt (1:397 BW). De draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) is het vermogen om uit de middelen waarover hij kan (zij kunnen) beschikken iets af te staan ten behoeve van de tot onderhoud gerechtigde, zoals in casu de twee kinderen(3). Het is een resultante van verschillende factoren en wordt niet alleen bepaald door de financiële middelen waarover de alimentatieplichtigen beschikken(4), maar ook door de ten laste daarvan komende uitgaven voor henzelf alsmede die voor anderen wier levensonderhoud voor zijn rekening komt(5).
De rechter kan bij het vaststellen van de alimentatie gebruik maken van de door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak ontwikkelde richtlijnen bij het bepalen van de behoeften en draagkracht, het zogenaamde Rapport Alimentatienormen(6). Genoemd rapport is echter geen recht is in de zin van art. 79 ROPro(7). Zoals het middel terecht opmerkt, is de rechter niet gebonden aan genoemde richtlijnen.
3.5. Ervan uitgaande dat de rechter van de juiste rechtsregel is uitgegaan, kan de beslissing van de rechter tot vaststelling en berekening van alimentatie na echtscheiding in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden getoetst(8). De motiveringscontrole in cassatie is beperkt, maar niet nihil. De rechter dient de beslissing zodanig te motiveren dat deze voldoende inzicht geeft in de aan de beslissing ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in geval van het openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken(9). Voorts geldt dat aan beslissingen die uitsluitend gaan over het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op hun draagkracht en behoefte aangevoerde omstandigheden, in het algemeen niet al te hoge motiveringseisen kunnen worden gesteld. Hoever de rechter in zijn motivering moet gaan, hangt af van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en van hetgeen ten processe vaststaat.
3.6. Het hof heeft in rov. 8 overwogen dat het op de moeder de eenoudernorm (de norm voor alleenstaande ouders) toepast omdat zij met de minderjarigen een eenoudergezin vormt en zij de feitelijke verzorging heeft voor de minderjarigen. Daarmee heeft het hof m.i. geen rechtsregel geschonden. Terecht heeft het hof bij de vaststelling van de draagkracht niet alleen rekening gehouden met de inkomsten van de man resp. de vrouw, maar ook met de daarop drukkende lasten. Mij is ook niet duidelijk waarom deze overweging 'discriminerend' zou zijn jegens de man: het hof onderscheidt immers niet willekeurig (en ook niet naar sekse), maar aan de hand van feitelijk verschillende (zorg)situaties van partijen. De rechtsklacht dat de overweging van het hof discriminerend zou zijn faalt derhalve. De overweging is ook niet onbegrijpelijk: de dagelijkse verzorgingslast voor de partner (in dit geval: de vrouw) ten opzichte van de kinderen brengt naar algemene ervaringsregels immers allicht mee dat deze partner zich nadere opofferingen in financiële zin moet getroosten ten aanzien van kinderopvang, niet te vergeten bij van tijd tot tijd optredende onregelmatigheden als ziekte van kinderen of dergelijke arbeidsverhinderende of tot inschakeling van extra (te betalen) hulp van derden aanleiding gevende omstandigheden. Dat mag in aanmerking genomen worden.
3.7. De klacht dat de compensatiegedachte van het hof onjuist zou zijn althans onbegrijpelijk in het licht van de overweging dat de kosten van de kinderen door beide partijen worden gedragen worden, kan daarmee dus niet slagen. Evenmin is deze motivering in strijd met de eerdere overweging van het hof dat partijen de kosten gezamenlijk dragen. De kosten van de kinderen zijn immers vastgesteld op € 703,- per maand, terwijl dit bedrag niet in zijn geheel voor rekening van de man komt. En het 'gezamenlijk dragen' brengt niet met zich mee dat bij de vaststelling van de kinderalimentatie in geld het behoeftebedrag van de kinderen zonder meer door twee moet worden gedeeld.
3.8. Voor zover het onderdeel toch bedoelt te klagen over het niet toepassen van het Rapport Alimentatienormen, faalt het reeds omdat dit rapport zoals eerder is opgemerkt geen recht is in de zin van art. 79 ROPro, terwijl het hof voor zover het daarvan afgeweken is, die afwijking genoegzaam gemotiveerd heeft.
3.9. Het tweede onderdeel (9.4 en 9.5, zie het vervolgblad bij het verzoekschrift tot cassatie) klaagt over de wijze waarop het hof de behoefte van de kinderen heeft berekend. Het onderdeel betoogt dat het hof de kinderbijslag in mindering had moeten brengen op de kosten van de kinderen.
3.10. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft de kinderbijslag namelijk juist wél in mindering gebracht op de kosten van de kinderen. Dit blijkt uit rov. 5 waar het hof heeft overwogen:
'Bij een netto gezinsinkomen van € 2900,- per maand acht het hof het redelijk de kosten van de twee minderjarigen, na aftrek van ontvangen kinderbijslag te bepalen op € 703,- per maand.'
3.11. Het vierde onderdeel (11) betoogt, kort gezegd, dat een verzoek van de man ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd, is gepasseerd door hof. De man heeft volgens het onderdeel in eerste aanleg en in hoger beroep verzocht om de onderhoudsbijdrage vast te stellen vanaf 1 oktober 2003 tot het moment van de overdracht van de koopwoning aan de vrouw en vervolgens vanaf de overdracht van de koopwoning. Nu de vrouw hiertegen geen verweer heeft gevoerd, was het hof volgens het onderdeel gehouden het verzoek van de man toe te wijzen.
3.12. Het hof is in rov. 7 van zijn beschikking ingegaan op de draagkracht van de man. Daarin heeft het hof overwogen dat het rekening zal houden met de woonlasten van de man zoals die blijken uit de door hem bij appelschrift overgelegde offerte voor een hypothecaire lening vanaf 1 oktober 2003, nu de man zijn woning vanaf die datum in eigendom heeft. Voorts heeft het hof bij de beoordeling van de draagkracht van de man rekening gehouden met hetgeen de man aan woonlasten heeft gehad - zoals blijkt uit zijn appelschrift - over de periode 28 mei 2003 tot 1 oktober 2003.
Het hof is in rov. 8 ingegaan op de draagkracht van de vrouw. Over haar woonlasten heeft het hof overwogen:
'Het hof acht de door de moeder opgevoerde woonlast niet onredelijk hoog, zodat het hof uitgaat van het bedrag dat door de rechtbank is vastgesteld.' .
Het hof doelt hier kennelijk op de volgende overweging van de rechtbank (31 maart 2003, p. 5):
'De rechtbank acht de woonlast van de vrouw, ook na de verhoging niet onredelijk. De rente komt neer op circa € 763,- bruto per maand, terwijl de door de vrouw te betalen premie na verhoging op € 158,- per maand wordt gesteld.'
Het door de rechtbank vastgestelde bedrag aan woonlasten heeft derhalve (ook) betrekking op de periode na de overdracht van de echtelijke woning aan de vrouw(10). De alimentatie die door het hof is vastgesteld vanaf 1 oktober 2003 heeft kennelijk ook betrekking op de periode na de overdracht van de echtelijke woning aan de vrouw. In de overwegingen en het oordeel van het hof ligt derhalve behandeling van het verzoek van de man besloten, terwijl het oordeel van het hof niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, en het hof zijn oordeel voldoende en niet onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
4. Conclusie
Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 De feiten zijn ontleend aan de bestreden beschikking, pp. 2-3.
2 Het verzoekschrift tot cassatie is op 25 mei 2004 bij de Hoge Raad binnengekomen.
3 HR 25 mei 1962, NJ 1962, 266; Asser-De Boer (2002), nrs. 624 en 625.
4 HR 19 april 1991, NJ 1991, 435.
5 Asser-de Boer (2002), nrs. 624 en 1036.
6 Trema 2001, nr. 1a (januari).
7 HR 4 oktober 1985, NJ 1986, 51.
8 Dit is vaste rechtspraak; zie o.m. HR 25 november 1977, NJ 1978, 359; Asser-De Boer (2002), nr. 620.
9 HR 29 juni 2001, NJ 2001, 49, herhaald in HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 37.
10 Zie ook het verzoekschrift in hoger beroep van de man, grieven 23-27.