ECLI:NL:PHR:2005:AT7303

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02961/04
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1, tweede lid, BoswetArt. 2, derde lid, BoswetArt. 6, tweede lid, Boswet
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het begrip 'vellen' in de Boswet bij opruimen van door ijzel beschadigde bomen

In februari 2001 veroorzaakte hevige ijzelvorming aanzienlijke schade aan een houtopstand, waarbij circa 90% van de bomen omviel door het natuurgeweld. Verdachte ruimde de resterende 10% op, waarbij ook bomen omvielen die niet direct door de ijzel waren beschadigd. Het hof kwalificeerde deze opruimingshandelingen als 'vellen' in de zin van de Boswet, hetgeen verboden is zonder tijdige kennisgeving.

Verdachte voerde verweer dat hij slechts de 'rommel' had opgeruimd en geen bomen had geveld in de zin van omhakken. Dit verweer werd door het hof verworpen, waarbij werd benadrukt dat de Boswet onder 'vellen' ook het rooien en andere handelingen verstaat die de dood of ernstige beschadiging van houtopstand tot gevolg kunnen hebben.

De Hoge Raad bevestigt deze uitleg van het begrip 'vellen' en wijst het cassatieberoep af. De wetsgeschiedenis toont aan dat het begrip bewust is uitgebreid om ook rooien en schadelijke handelingen te omvatten. Er is geen sprake van een onjuiste rechtsopvatting door het hof. Verdachte blijft daarmee strafbaar voor het overtreden van het verbod op vellen zonder tijdige kennisgeving.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel dat opruimen van bomen onder 'vellen' valt blijft gehandhaafd.

Conclusie

Nr. 02961/04
Mr. Machielse
Zitting 7 juni 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 21 juni 2004 ter zake van overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 2, derde lid, Boswet veroordeeld tot een geldboete van € 2.000,-- subsidiair veertig dagen hechtenis.
2. Mr. A.M.F. van Veghel, advocaat te Utrecht, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1 Beide middelen zijn gericht tegen de verwerping door het Hof van een ter terechtzitting gevoerd verweer. Het eerste middel klaagt erover dat het Hof, door de verklaring van verdachte voor de verwerping van het verweer te gebruiken, deze verklaring heeft gedenatureerd. Het tweede middel houdt in dat 's Hofs oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip vellen. De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.2 Blijkens het arrest van 21 juni 2004 heeft het Hof het verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Strafbaarheid van de verdachte
Door de raadsman is aangevoerd dat er in casu sprake is van verschoonbare dwaling, zodat een beroep op afwezigheid van alle schuld aanvaard dient te worden. Daartoe is aangevoerd dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat een melding niet nodig was omdat de houtopstand teniet is gegaan door natuurgeweld en verdachte slechts de "rommel" heeft geruimd.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat door hevige ijzelvorming in de maand februari 2001 de in de telastelegging nader omschreven houtopstand voor 90% omlag en dat nog slechts 10% overeind stond.
Naar het oordeel van het hof moet reeds op grond van die verklaring worden geconcludeerd dat tenminste 10% van bedoelde houtopstand is geveld.
Het verweer wordt bij gebreke aan feitelijke grondslag verworpen.
Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn."
3.3 Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 7 juni 2004 heeft verdachte - voor zover hier van belang - het volgende verklaard
"In februari 2001 was er sprake van hevige ijzelvorming. De bomen zijn beschadigd door ijzel. Zeker 90% van die beschadigde bomen is omgevallen. De rest is gevallen bij de opruiming.
(...)
Als je eenmaal aan het opruimen bent dan vallen de bomen die nog overeind staan vanzelf om."
3.4 Beide middelen berusten op het uitgangspunt dat 's Hofs oordeel omtrent het begrip vellen van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Vellen betekent immers omhakken, terwijl verdachte slechts de "rommel" heeft opgeruimd die het natuurgeweld had aangericht en de bomen heeft gerooid - dat wil zeggen uitgegraven - en niet omgehakt, aldus de middelen.
3.5 Art. 2, derde lid, Boswet luidt als volgt:
"Het is verboden te vellen of te doen vellen, anders dan bij wijze van dunning, zonder dat een voorafgaande tijdige kennisgeving als bedoeld in het eerste lid is gedaan."
3.6 Uit de wetsgeschiedenis volgt dat discussie heeft bestaan over de vraag in hoeverre het begrip vellen moest worden uitgebreid. Het begrip was al uitgebreid in die zin dat volgens art. 1, tweede lid, van het wetsontwerp onder vellen mede rooien diende te worden begrepen. Uit de Memorie van Antwoord volgt dat men een nadere uitbreiding heeft overwogen en daartoe deels heeft besloten:
"Het voorstel van enige leden om het begrip "vellen" uit te breiden tot "het op andere wijze vernietigen van een houtopstand, alsmede het toelaten daarvan of het niet treffen van maatregelen ter voorkoming" kunnen de ondergetekenden niet overnemen. Deze verruiming van het begrip "vellen" zou ertoe leiden, dat ook onder de delictsomschrijving van artikel 2, derde lid, valt hij, die gedoogt of niet verhindert dat zijn houtopstand te gronde wordt gericht, zonder dat hij hiervan tijdig kennis heeft gegeven aan de directeur, ook al heeft hij een maand tevoren niet voorzien, dat hij in een situatie zou komen te verkeren, waarin stilzitten de ondergang van zijn houtopstand tot gevolg zou hebben. Omdat het echter onmogelijk is iets te melden, waarvan men nog geen weet heeft, zou in dit geval de strafbaarstelling ongerijmd zijn.
Wel zijn de ondergetekenden bereid het begrip "vellen" in die zin uit te breiden, dat hieronder ook wordt begrepen "het verrichten van handelingen, die de dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge kunnen hebben". Zij zijn van oordeel, dat op deze wijze de werkelijk ernstige gevallen van aantasting van houtopstanden onder het bereik van het wetsontwerp worden gebracht."(1)
3.7 Een en ander heeft geleid tot de volgende inhoud van art. 1, tweede lid, Boswet:
"Voor de toepassing van deze wet wordt onder herbeplanten mede begrepen herbebossen en wordt onder vellen mede begrepen rooien alsmede het verrichten van handelingen, welke de dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge kunnen hebben."
Aldus volgt uit de wet dat onder vellen niet alleen omhakken dient te worden verstaan, maar ook rooien en daarnaast het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. De middelen berusten dus op een onjuist uitgangspunt.(2)
3.8 Verdachte heeft verklaard dat 10% van de houtopstand nog overeind stond na het natuurgeweld en dat deze 10% is omgevallen bij het opruimen door verdachte. Nu het opruimen volgens verdachte het omvallen van de bomen tot gevolg heeft gehad, heeft het Hof het opruimen kennelijk beschouwd als een handeling die de dood of ernstige beschadiging van houtopstand ten gevolge heeft gehad en aldus als vellen in de zin van Boswet. Dat oordeel getuigt, gelet op art. 1, tweede lid, Boswet, niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip vellen en is tevens niet onbegrijpelijk. Verdachte's verklaring is dan ook niet gedenatureerd; hij erkent immers dat door zijn handelingen 10% van de houtopstand is omgevallen. Voor zover het tweede middel nog de klacht inhoudt dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan volgen omdat uit de bewijsmiddelen slechts kan volgen dat verdachte de bomen heeft gerooid, terwijl is bewezenverklaard dat hij ze heeft geveld, kan uit het voorgaande worden afgeleid dat ook deze klacht faalt, nu volgens art. 1, tweede lid, Boswet onder vellen mede rooien wordt begrepen.
Vellen, waaronder dus begrepen het rooien, is volgens art. 2, derde lid, Boswet verboden tenzij het om een dunning gaat, een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van het overblijvende deel van de houtopstand. Zelfs zou het wettelijk systeem aldus kunnen worden uitgelegd dat ieder vellen ook van bomen die deels zijn omgewaaid, onder het verbod valt indien niet van dunning kan worden gesproken. Dus niet alleen de bomen die nog overeind stonden en bij de 'opruiming' neergingen zijn dan geveld, maar ook bomen die nog half overeind stonden en die alvorens te kunnen worden verwijderd nog moesten worden uitgegraven. Dat te verwachten is dat zo een velling niet op bezwaren zal stuiten doet hieraan niet af. In geval van urgentie of noodsituaties, waarvan overigens in de onderhavige zaak niet is gebleken, voorziet art. 6, tweede lid, Boswet in de mogelijkheid van een noodprocedure.(3)
4. Nu ik ambtshalve geen grond tot cassatie heb aangetroffen, strekt deze conclusie er toe dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Kamerstukken II, 1959-1960, 5308 6-8 (2).
2 De Raadsman van verdachte verwijst voor de betekenis van de begrippen vellen en rooien meerdere malen naar Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal en miskent daarmee dat deze begrippen in de Boswet zelf nader worden omschreven
3 Kamerstukken II, 1959-1960, 5308 6-8 (2).