ECLI:NL:PHR:2005:AT7492
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsverwerking in alimentatiegeschil na echtscheiding
De zaak betreft een alimentatiegeschil tussen ex-partners na echtscheiding. De vrouw had een verzoek ingediend tot verhoging en verlenging van de alimentatie, dat door lagere instanties deels werd afgewezen en deels niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege rechtsverwerking.
De vrouw startte een procedure om de alimentatie met terugwerkende kracht te verhogen en verlengen, maar het hof oordeelde dat zij haar recht op voortzetting van het oorspronkelijke verzoek had verwerkt door niet tijdig de procedure voort te zetten. Tevens werd vastgesteld dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet in haar levensonderhoud kon voorzien.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep van de vrouw af. Het hof heeft volgens de Hoge Raad terecht geoordeeld dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar oorspronkelijke verzoek en dat de alimentatieverplichting van de man terecht is vastgesteld op een bedrag dat zijn draagkracht toelaat.
De beslissing rust op twee zelfstandig dragende gronden: rechtsverwerking door de vrouw en onvoldoende aannemelijkheid van haar financiële behoefte. Het cassatieberoep faalt omdat slechts één grond wordt bestreden, waardoor het beroep niet tot cassatie kan leiden.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot beantwoording van vragen voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling en verwerpt het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het hofbesluit tot niet-ontvankelijkheid en vaststelling van alimentatie wordt bekrachtigd.