AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens huwelijkszwendel met valsheid en bedrog
Verzoekster werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan negen maanden voorwaardelijk, wegens meervoudige oplichting in de vorm van huwelijkszwendel. Zij had gedurende meerdere jaren een affectieve relatie met het slachtoffer, waarbij zij zich valselijk voordeed als zijn toekomstige echtgenote om hem tot het afstaan van aanzienlijke geldbedragen en het aangaan van schulden te bewegen.
De Hoge Raad behandelde in cassatie diverse middelen die de bewezenverklaring en strafmotivering aanvochten. De klachten over het ontbreken van voldoende bewijs voor het aannemen van een valse hoedanigheid en het gebruik van listige kunstgrepen werden verworpen. Het hof had terecht geoordeeld dat verzoekster zich had voorgedaan als toekomstige huwelijkspartner en daarmee het slachtoffer misleidde.
Ook het middel dat stelde dat de wettelijke vervolgingsuitsluiting voor echtgenoten analoog moest gelden voor andere samenlevingsvormen faalde. De Hoge Raad bevestigde dat de wetgever deze uitzondering beperkt heeft tot echtgenoten en geregistreerde partners. De strafmotivering, waaronder de kans op herhaling en eerdere veroordelingen, werd eveneens als begrijpelijk beoordeeld.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, inclusief de straf en de toegewezen schadevergoeding aan het slachtoffer.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan negen voorwaardelijk, wegens meervoudige oplichting door huwelijkszwendel.
Conclusie
Nr. 02994/04
Mr. Jörg
Zitting 14 juni 2005
Conclusie inzake:
[verzoekster=verdachte]
1. Verzoekster is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 6 mei 2004 wegens oplichting (in de vorm van huwelijkszwendel), meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk. Voorts heeft het hof van de vordering van de benadeelde partij een bedrag van € 363.931,73 toegewezen en aan verzoekster een schadevergoedingsmaatregel voor dit bedrag opgelegd.
2. Namens verzoekster heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.
3. De eerste twee middelen bevatten klachten over de bewezenverklaring.
4. Ten laste van verzoekster is bewezenverklaard dat:
"zij op verschillende tijdstippen in de periode van 16 februari 1995 tot en met 31 mei 1998 te Utrecht en elders in Nederland en te Brasschaat, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een (of meer) listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1] heeft bewogen tot de afgifte van geld en tot het aangaan van een schuld en tot het teniet doen van een inschuld, hieronder nader te noemen, hebbende verdachte toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid die [betrokkene 1] laten weten dat zij met hem wilde trouwen en huisvesting nodig had en niet (in voldoende mate) in haar levensonderhoud kon voorzien en behoefte had aan financiële zekerheid, en heeft zij veelvuldig/langdurig met [betrokkene 1] verkeerd en omgang met hem gehad en zich in de omgeving van [betrokkene 1] (tegenover diens familie en/of vrienden) gepresenteerd als diens partner en toekomstige echtgenote, waardoor genoemde [betrokkene 1] telkens werd bewogen tot nader te noemen afgifte of het aangaan van nader te noemen schuld of het teniet doen van nader te noemen inschuld, te weten:
- het verkopen van het pand [a-straat 1] te [plaats A] aan haar, verdachte (omstreeks 23 februari 1995) en
- het betalen van een som geld (ongeveer f 50.000) ten titel van waarborgsom huur (omstreeks 21 april 1995) aan haar, verdachte, en
- het leveren van het pand [a-straat 1] te [plaats A] (omstreeks 21 april 1995) aan haar verdachte, en
- het aangaan van een schuldbekentenis ter grootte van f 390.000 (zogenaamd in verband met door [betrokkene 1] ter leen ontvangen gelden, maar in feite belichamend een gift van [betrokkene 1]) (omstreeks 7 november 1996) en
- het verstrekken van het recht van hypotheek op het pand [b-straat] ([1-3]) te [plaats B] (ter securering van voornoemde schuld of schenking door schulderkenning voor de somma van f 390.000) (omstreeks 10 januari 1997) en
- het verstrekken van een tweede recht van hypotheek op het pand [b-straat] ([1-3]) ter securering van (mogelijke) verplichtingen tot een (maximaal) bedrag van f 500.000 (als zekerheid voor het huwelijk en/of voorziening in haar, verdachte's, levensonderhoud voor het geval [betrokkene 1] iets mocht overkomen) (omstreeks 25 april 1997) en
- de afgifte van een som geld (ongeveer f 100.000) (ter aflossing van de eerste hypotheek) (omstreeks 13 januari 1998) en
- de afgifte van een som geld (ongeveer f 90.000) (omstreeks 23 februari 1998) en
- de afgifte van een som geld (ongeveer f 12.000) (omstreeks 16 maart 1998)."
5. Het eerste middel klaagt dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verzoekster een valse hoedanigheid heeft aangenomen en listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels heeft aangewend teneinde [betrokkene 1] - kort gezegd - tot afgifte van geld en het aangaan van schulden te bewegen.
6. In het tweede middel wordt aangevoerd dat de bewijsmiddelen niet redengevend kunnen worden geacht voor de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat verzoekster in strijd met de waarheid [betrokkene 1] heeft laten weten dat zij met hem wilde trouwen.
7. Beide middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen (inhoudende onder andere de verklaring van het slachtoffer [betrokkene 1] en diverse getuigenverklaringen, vervat in de bewijsmiddelen 5, 6, 7, 8 en 9) kan het volgende worden opgemaakt. In de bewezenverklaarde periode - van enkele jaren - was er sprake van een affectieve lat-relatie tussen verzoekster en [betrokkene 1] (bewijsmiddel 1). In het bijzijn van vrienden en zakelijke partners heeft verzoekster zich als partner van [betrokkene 1] gepresenteerd en werd hun liefdesrelatie en het aanstaande huwelijk besproken (bewijsmiddel 2). Tijdens genoemde affectieve relatie - waarbij men leefde als man en vrouw, zowel op geestelijk als op lichamelijk gebied - heeft [betrokkene 1] aan verzoekster grote bedragen om niet ter hand gesteld. De geldverstrekkingen hebben plaatsgevonden omdat verzoekster bij [betrokkene 1] gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt dat zij met hem zou trouwen (bewijsmiddel 1). Reeds in 1992 was er op instigatie van verzoekster voorzien in een huwelijk; dit werd echter van de zijde van verzoekster steeds uitgesteld (bewijsmiddel 3). In 1998 werd nog steeds over een huwelijk gesproken. Zover is het echter niet gekomen (bewijsmiddel 1).
8. De bewijsmiddelen houden in dit verband voorts in dat in de bewezenverklaarde periode tussen verzoekster en [betrokkene 1] verschillende overeenkomsten werden opgesteld met de strekking en het doel verzoekster ten laste van [betrokkene 1] financieel te begunstigen c.q. te verzekeren, zodat zij bij een eventueel overlijden van [betrokkene 1] verzorgd zou achterblijven (bewijsmiddel 4 en 10 tot en met 16). Ik noem als voorbeeld de door de advocaat van verzoekster opgestelde overeenkomst van 23 februari 1995 (bewijsmiddel 10) waarin onder meer het volgende wordt vermeld:
"Overwegende dat tussen [verdachte] en [betrokkene 1] sedert een aantal jaren een relatie bestaat van min of meer intieme aard in die zin dat zij elkaar zo goed kennen dat van de zijde van [betrokkene 1] een huwelijk met [verdachte] ernstig overwogen wordt;
Dat [verdachte] [betrokkene 1] wat dat betreft een besluit harerzijds nog niet vermag mede te delen, zij het ook dat zij [betrokkene 1] niet ongenegen is, en bereid was en is om hem als partner zorg en ontspanning(1) te bieden;
Dat [betrokkene 1] jegens [verdachte] met grote dankbaarheid vervuld is en zich jegens haar moreel verplicht gevoelt om haar in financieel opzicht te steunen en haar van goede huisvesting te voorzien;
Dat [betrokkene 1] als eigenaar beschikt over het onroerend goed, gelegen te [a-straat 1] te [plaats A], waaraan een waarde kan worden toegekend van een bedrag van fl. 850.000,--;
Zijn overeengekomen als volgt:
- [Betrokkene 1] verkoopt aan [verdachte] voorgeschreven onroerend goed, gelijk [verdachte] dat van hem koopt voor de somma van fl. 850.000,-- "all-in".
- Daarop betaalt [verdachte] een bedrag van fl. 300.000,-- aan [betrokkene 1], zodat hij vermeld onroerend goed vrij van hypotheek aan haar kan leveren.
- De restantkoopsom ad fl. 550 000,-- blijft [verdachte] aan [betrokkene 1] verschuldigd, terwijl van jaar tot jaar dat schuldig gebleven bedrag (renteloos) wordt verminderd met een bedrag van fl. 100.000,--, voor het eerst in het jaar 1995.
- Vanaf de datum van levering huurt [betrokkene 1] van [verdachte] de hoofdwoning ter plaatse voor een vaste, niet voor verhoging vatbare, som van fl. 2.000,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan [verdachte] te voldoen."
9. Bij de beoordeling van de middelen dient het volgende te worden vooropgesteld. Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt, het tenlastegelegde bewezen acht, is het - volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad - aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake de selectie en waardering van bewijsmateriaal, die - behoudens bijzondere gevallen die zich ten deze niet voordoen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hierop stuiten de in de middelen verwoorde klachten af.
10. Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen - in hun onderlinge verband en samenhang bezien - niet onbegrijpelijk kunnen afleiden dat verzoekster met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van de valse hoedanigheid van aanstaande huwelijkspartner, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1] heeft bewogen tot de afgifte van geld en kwijtschelding van schulden. Dat sommige gedragingen van verzoekster naar hun uiterlijke verschijningsvorm op een affectieve relatie duiden en daarmee het bewijs van de leugenachtigheid van het handelen van verzoekster zouden verzwakken kan ik niet inzien, te meer niet daar verzoekster ter terechtzitting zelf iedere intieme relatie ontkende en hamerde op het zakelijke karakter ervan.
11. Het eerste zowel als het tweede middel faalt.
12. In het derde middel - kennelijk abusievelijk als het tweede middel aangeduid - wordt betoogd dat het hof aan de in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen term "valse hoedanigheid" een onjuiste betekenis heeft toegekend.
13. Het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van art. 326 SrPro bestaat onder meer in het zich voordoen als iemand die bekleed is met een in het maatschappelijk verkeer erkende (geaccepteerde, geïnstitutionaliseerde) waardigheid of functie, welke deze persoon niet bezit of praktiseert. Het moet gaan om vaste, geijkte rollen, waarop men in het betreffende onderdeel van het maatschappelijk verkeer afgaat en waaraan een specifieke rolverwachting is verbonden.(2)
14. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat verzoekster de valse hoedanigheid van toekomstige huwelijkspartner heeft aangenomen. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoeft geen nadere motivering, in aanmerking genomen de hierboven onder 7 en 8 weergegeven gang van zaken, waaruit blijkt dat verzoekster (na een advertentie gezet te hebben waarin zij aangaf een lat-relatie met een integere heer te zoeken) opzettelijk valselijk, listiglijk, bedrieglijk en in strijd met de waarheid [betrokkene 1] heeft voorgehouden dat zij met hem wilde trouwen en huisvesting nodig had en niet in voldoende mate in haar levensonderhoud kon voorzien en behoefte had aan financiële zekerheid en waaruit voorts blijkt dat zij veelvuldig en langdurig met [betrokkene 1] heeft verkeerd, omgang met hem heeft gehad en zich in de omgeving van [betrokkene 1] (tegenover diens familie en vrienden) heeft gepresenteerd als diens partner en toekomstige echtgenote.
15. In het onderhavige geval is sprake van een andere situatie dan het in het middel aangehaalde arrest van 15 december 1998 (NJ 1999, 192), waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat de enkele (curs.v.NJ) omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide koper die in staat en voornemens is de gekochte goederen bij de aflevering daarvan te betalen, niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van art. 326 SrPro. De steller van het middel doet daarom tevergeefs beroep op laatstgenoemd arrest en de daarbijbehorende conclusie van de advocaat-generaal Van Dorst. Dat liefde blind kan maken zal ik niet bestrijden, maar verzoekster heeft méér dan alleen de valse hoedanigheid van toekomstige huwelijkspartner aangenomen: zij had het vele geld van het slachtoffer nodig voor haar zaken, voor het `fiscale plaatje' in België, en als nabestaandenvoorziening (dit, terwijl zij tijdens de appèlzitting verklaarde dat zij financieel heel goed was achtergelaten door een man met wie zij 25 jaar een relatie had gehad). Et cetera; het klassieke verhaal van de oplichter (m/v).
16. Het derde middel faalt.
17. Het vierde middel bevat de klacht dat in casu de bepaling van art. 338 SrPro j° art. 316 SrPro toegepast had dienen te worden, aangezien de relatie c.q. samenlevingsvorm tussen verzoekster en [betrokkene 1] gelijkgesteld diende te worden met die van echtgenoten in een huwelijk.
18. Na de vorige middelen is dit een ietwat inconsequent middel, maar wie maalt daar nu om? Art. 338 SrPro bepaalt, dat artikel 316 opPro de in titel XXV van het Wetboek van Strafrecht (Bedrog) omschreven misdrijven van toepassing is. Art. 316, eerste lid, Sr luidt als volgt:
"Indien de dader van of medeplichtige aan een der in deze titel omschreven misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, is de strafvervolging tegen die dader of die medeplichtige uitgesloten."
19. De wetgever heeft de uitsluiting van vervolging in het geval van oplichting beperkt tot de dader of medeplichtige die niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. Ingevolge art. 90octies Sr wordt in dit verband met de echtgenoot de geregistreerde partner gelijkgesteld.
20. Zoals ook bij Van Woensel/Cleiren, T&C Sr, 5e, aant. 3c op art. 316 valtPro te lezen is de vraag gerechtvaardigd of deze bepaling niet verouderd is, doordat zij geen rekening houdt met andere relatievormen. Het komt mij echter voor dat als reeds de relatie zelf door een oplichter wordt gefaket de urgentie voor de Hoge Raad om hier ook in het strafrecht grensverleggend bezig te gaan niet bijster groot is, zoals de steller van het middel lijkt te verwachten met een beroep op art. 14 EVRMPro, het vreemdelingenrecht, het sociale verzekeringsrecht, het huur- en overeenkomstenrecht.
21. Het vierde middel strijdt met de wet.
22. Het vijfde middel keert zich tegen de strafmotivering.
23. Het hof heeft de opgelegde gevangenisstraf in zijn arrest als volgt gemotiveerd:
"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Verdachte heeft jarenlang het slachtoffer in de waan gebracht en gehouden dat zij, verdachte een vaste liefdesrelatie met hem, het slachtoffer, had, die tot een huwelijk zou leiden, waardoor het slachtoffer haar financiële ondersteuning bood en verschillende transacties ten behoeve van haar, verdachte, heeft gesloten. Hierdoor heeft zij het slachtoffer opgelicht en bewogen tot afgifte van geld en het aangaan van een schuld en het teniet doen van een (fictieve) inschuld. Verdachte heeft hierdoor het slachtoffer in hoge mate financieel benadeeld en zijn vertrouwen in anderen ernstige schade toegebracht.
Ten nadele van de verdachte overweegt het hof dat blijkens een haar betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 9 maart 2004, de verdachte eerder is veroordeeld wegens het plegen van een soortgelijk strafbaar feit en dat de verdachte, blijkens een aantal - onder meer ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde getuigenverklaringen zich eerder met vergelijkbare oplichtingspraktijken heeft beziggehouden. Niet valt uit te sluiten dat de verdachte zich in de toekomst hiervan niet zal distantiëren.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de hoge leeftijd van verdachte."
24. De klacht van het middel houdt in dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat niet valt uit te sluiten dat verzoekster zich in de toekomst niet zal distantiëren van vergelijkbare oplichtingspraktijken. De steller van het middel betoogt dat de motivering onbegrijpelijk is gelet op de gevorderde leeftijd van verzoekster en de algemene ervaring dat bejaarden wat minder goed in de huwelijksmarkt liggen. Hoe heb ik het nu: leeftijdsdiscriminatie?
25. Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter vrij is in de bepaling van de straf en de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan hem voorbehouden. In cassatie kan dus niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.(3) In cassatie kan slechts worden onderzocht of het oordeel van de feitenrechter, gelet op het daartoe overwogene, de grenzen van het begrijpelijke overschrijdt.
26. De motivering van de opgelegde straf is - bezien in het licht van de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en gelet op de omstandigheden waarmee het hof bekend kon zijn met betrekking tot de persoon van verzoekster, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep naar voren gekomen en uit het dossier blijkend - niet onbegrijpelijk. Ik lees de overweging als de inschatting van het hof dat er kans op herhaling is, die op één soortgelijke bewezenverklaarde huwelijkszwendel berust; en op andere gevallen - die evenwel rechtens niet zijn komen vast te staan. In zoverre is de overweging enigszins ongelukkig, maar daarop grijpt het middel niet aan. Het voorafgaande in aanmerking genomen heeft het hof de strafoplegging voldoende (begrijpelijk) met redenen omkleed.
27. Het vijfde middel faalt eveneens.
28. De middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 ROPro ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Verzoekster heeft op de appèlzitting van 22 april 2004 verklaard dat zij niet weet waar deze passage vandaan komt. Zij weet daar niets van en kan zich niet voorstellen dat zij zoiets getekend zou hebben. Zij beweert dat haar handtekening later aan sommige stukken is toegevoegd, die deze daardoor vals maken, en suggereert dat dit ook het geval is met de onderhavige overeenkomst. Een verzoek tot nader onderzoek naar de echtheid van het bewijsmiddel heb ik evenwel in het proces-verbaal niet kunnen ontwaren.
2 NLR, suppl. 98 (juli 1998), aant. 9 bij art. 326; P.J. van den Hout, "Oplichting: knooppunt van valsheid en bedrog" (diss. Tilburg, 1993), p. 69 e.v.
3 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e druk, 2004, p. 220.