ECLI:NL:PHR:2005:AT7588
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor weigering ademonderzoek zonder voldoende bewijs van besturen motorvoertuig
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld wegens het weigeren mee te werken aan een ademonderzoek nadat hij was aangetroffen op de bestuurdersstoel van een auto met draaiende motor. Het hof oordeelde dat er voldoende verdenking bestond dat hij het voertuig had bestuurd, ondanks zijn stelling dat hij niet had gereden en slechts de airconditioning wilde gebruiken.
De Hoge Raad stelt dat enkel het feit dat de verdachte op de bestuurdersstoel zat met draaiende motor niet voldoende is om te vermoeden dat hij het voertuig bestuurde. Er ontbraken feiten en omstandigheden die dit vermoeden rechtvaardigen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door te veronderstellen dat de verplichting tot medewerking aan het ademonderzoek ook geldt als de verdachte niet heeft gereden.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling. De conclusie benadrukt dat de verdenking op besturen niet kan worden gebaseerd op het enkele feit dat de verdachte in de auto zat met draaiende motor, zonder nadere aanwijzingen van daadwerkelijk besturen of poging daartoe.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat verdachte het voertuig bestuurde.