11. Uit de aangehaalde passages blijkt dat de Hoge Raad hier het oog heeft op de evenredigheidstoetsing op grond van het beginsel van de gelijkheid voor publieke lasten (ook wel bekend als het beginsel van de 'égalité devant les charges publiques'): de onevenredig nadelige gevolgen van (op zichzelf rechtmatig) overheidsoptreden behoren niet ten laste te komen van een beperkte groep burgers, maar dienen gelijkelijk over de gemeenschap te worden verdeeld. Volgens de Hoge Raad moeten de nadelige gevolgen van overheidsoptreden die een beperkte groep burgers treft als onevenredig worden aangemerkt, indien deze gevolgen buiten het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico vallen.
Het betoog van de onderdelen 1.5 t/m 1.9 dat deze in de rechtspraak aanvaarde evenredigheidstoetsing óók van toepassing is wanneer (niet een derde maar) de (gewezen) verdachte schade heeft geleden als gevolg van (op zichzelf rechtmatig) strafvorderlijk optreden, faalt naar mijn mening. Zo moet bedacht worden dat de afweging of de nadelige gevolgen van het strafvorderlijk optreden voor de (gewezen) verdachte al dan niet onevenredig zijn, (reeds) aan de orde komt bij de vraag of het strafvorderlijk optreden jegens hem al dan niet rechtmatig is geweest. Volgens vaste rechtspraak is de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen jegens de (gewezen) verdachte onrechtmatig wanneer (i) uit de stukken van de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak van de onschuld van de verdachte en derhalve van het ongefundeerd zijn van de verdenking blijkt, dan wel (ii) indien het gebruik van het dwangmiddel in strijd met de regels van geschreven of ongeschreven recht is, waaronder begrepen het geval dat de toepassing van het dwangmiddel in de gegeven omstandigheden zo disproportioneel was dat zij daarom in strijd met de aan de Staat betamende zorgvuldigheid komt. Zie HR 29 april 1994, NJ 1995, 727 m.nt. CJHB en EAA; HR 23 december 1994, NJ 1995, 512 m.nt. C; HR 12 juni 1998, NJ 1999, 99 m.nt. ARB; HR 21 april 2000, NJ 2001, 143; HR 14 januari 2005, RvdW 2005, 11. Volgens de criteria van de voormelde rechtspraak is van een onrechtmatige daad van de Staat dus geen sprake.
In de onderhavige zaak heeft het hof (in r.o. 4.7) geoordeeld dat uit de stukken van de strafzaak niet blijkt van de onschuld van [eiser], zodat in zoverre geen sprake is van een onrechtmatige aanhouding. Dit wordt in cassatie niet bestreden. Voorts heeft het hof (in r.o. 4.10) geoordeeld dat de wijze van aanhouding in de gegeven omstandigheden niet disproportioneel is geweest. Zoals hiervoor onder nr. 8 is gebleken, zijn de hiertegen gerichte onderdelen 1.3 en 1.4 tevergeefs voorgesteld, zodat in cassatie ook van dit oordeel dient te worden uitgegaan. Aangenomen moet dus worden dat de (wijze van) aanhouding jegens [eiser] rechtmatig en proportioneel is geweest. Volgens de criteria van de voormelde rechtspraak is van een onrechtmatige daad van de Staat dus geen sprake.
Dit zo zijnde valt niet in te zien, zoals de onderdelen betogen, dat (het hof heeft miskend dat) de aan [eiser] toegebrachte schade alsnog onevenredig zou kunnen zijn, omdat deze schade buiten het normale maatschappelijk risico of normale bedrijfsrisico zou vallen en daarmee zou leiden tot een ongelijkheid voor publieke lasten. Het zou innerlijk tegenstrijdig zijn indien enerzijds geoordeeld wordt dat tussen het (doel van het) strafvorderlijk optreden en de nadelige gevolgen ervan voor de (gewezen) verdachte geen onevenredigheid bestaat, terwijl anderzijds wordt aangenomen dat de verdachte onevenredig benadeeld wordt in vergelijking met andere burgers of instellingen. Voor de evenredigheidstoetsing op grond van het beginsel van de gelijkheid voor publieke lasten bestaat dus geen goede grond als het gaat om de door de (voormalige) verdachte als gevolg van strafvorderlijk optreden geleden schade. Gesteld kan worden dat deze evenredigheidstoetsing slechts wil voorkomen dat het strafvorderlijk optreden derden in vergelijking met andere burgers of instellingen onevenredig zwaar treft; als gezegd, wordt voor de (gewezen) verdachte onevenredige schade voorkomen door het aannemen van de onrechtmatigheid van het strafvorderlijk optreden. Evenzo: N.J.M. Kwakman, Schadecompensatie in het strafprocesrecht, diss. 2003, p. 186 die eveneens stelt dat de toetsing op grond van de 'gelijkheid voor publieke lasten' alleen kan worden toegepast met het oog op schade die een derde heeft geleden. Vgl. voorts H.Ph.J.A.M. Hennekens, Overheidsaansprakelijkheid op de weegschaal, 2001, p. 48 e.v. die bij de bespreking van de jurisprudentie over schadevergoeding bij (on)rechtmatig strafvorderlijk optreden evenzeer onderscheid maakt tussen situaties waarin dat optreden schadelijke gevolgen heeft voor (voormalige) verdachten enerzijds en voor derden-niet-verdachten anderzijds.
Nu de door de onderdelen aangehaalde rechtspraak derhalve ziet op de afweging van andere belangen dan die van de (gewezen) verdachte, faalt de klacht dat het hof, gelet op deze rechtspraak, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.