ECLI:NL:PHR:2005:AT8237
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de huwelijksgerelateerde behoefte bij alimentatie na echtscheiding
In deze zaak stond centraal of bij de bepaling van de aan de huwelijkswelstand gerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde rekening moet worden gehouden met zowel de consumptieve uitgaven als de mogelijkheid tot sparen tijdens het huwelijk.
Partijen exploiteerden samen een VOF en hadden een gezamenlijk inkomen dat deels werd gespaard. Na hun echtscheiding bepaalde de rechtbank het alimentatiebedrag, waarbij de man in hoger beroep ging tegen de hoogte van de alimentatie, specifiek tegen de vastgestelde behoefte van de vrouw.
Het hof bevestigde dat niet alleen het daadwerkelijk uitgegeven inkomen bepalend is, maar ook het deel dat werd gespaard. De Hoge Raad bevestigt deze lijn en wijst erop dat het inkomen en het uitgavenpatroon samen indicatief zijn voor de welstand tijdens het huwelijk. De man voerde aan dat de gespaarde bedragen fiscaal werden overgeboekt en niet privé bestemd waren, maar de Hoge Raad oordeelt dat dit onvoldoende is om het oordeel van het hof te schaden.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is om het cassatieberoep te verwerpen, waarmee het oordeel van het hof standhoudt dat ook het gespaarde deel van het inkomen meeweegt bij de bepaling van de behoefte.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; ook het gespaarde deel van het inkomen wordt meegewogen bij de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte.