ECLI:NL:PHR:2005:AT8240
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Eigendomsvordering en extinctieve verjaring van strook grond tussen buren
De zaak betreft een geschil tussen buren over de eigendom van een strook grond die door de buurman als deel van zijn inrit werd gebruikt, terwijl de grond kadastraal toebehoorde aan de eigenaar van het aangrenzende perceel. De buurman stelde dat hij door extinctieve verjaring eigenaar was geworden, terwijl de eigenaar betwistte dat er sprake was van bezit en stelde dat de buurman slechts een persoonlijk gebruiksrecht had.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de buurman tot 18 februari 1981 geen bezitter was, maar dat de verjaringstermijn vanaf die datum was aangevangen, waarna de vordering van de eigenaar was verjaard. Het hof wees de vordering van de eigenaar af. De eigenaar stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had aangenomen dat de verjaringstermijn op die datum was begonnen, mede omdat de eigenaar in een memorie van antwoord had betoogd dat de buurman over 1981 nog huur betaalde.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de stelling van de eigenaar dat de buurman geen bezitter was geworden en dat de verjaringstermijn niet op 18 februari 1981 kon zijn aangevangen. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen ter verdere behandeling en beslissing.