ECLI:NL:PHR:2005:AT8242
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de verplichting tot het gestand doen van huurovereenkomsten na het einde van erfpacht
In deze zaak staat centraal of de gemeente als eigenaar na het einde van de erfpacht verplicht is een door de erfpachter aangegane huurovereenkomst voor bedrijfsruimte gestand te doen op grond van artikel 5:94 lid 2 BW Pro. De erfpacht eindigde eind 1999, maar de huurovereenkomst was aangegaan voor een periode van tien jaar met optie tot verlenging.
De Hoge Raad bevestigt dat de eigenaar gebonden is aan lopende huurovereenkomsten die niet buitensporig zijn in verhouding tot wat redelijkerwijs verwacht mag worden, waarbij een maximale duur van vijf jaar na het einde van de erfpacht geldt voor bedrijfsruimte. De eigenaar hoeft geen huur te accepteren indien de erfpachter niet bevoegd was tot verhuur of als de huurvoorwaarden ongebruikelijk bezwarend zijn.
De Hoge Raad verwerpt het standpunt van de gemeente dat de huurovereenkomst niet gestand hoeft te worden gedaan vanwege de langere duur dan gebruikelijk of vanwege kwade trouw. Ook is van belang dat de erfpachter bevoegd was tot verhuur, ook voor een korte periode voorafgaand aan de verkrijging van het erfpachtrecht, mits met instemming van alle betrokken partijen.
De Hoge Raad benadrukt dat stilzwijgende verlenging van erfpacht op grond van artikel 5:98 BW Pro betekent dat de erfpacht voortduurt totdat deze rechtsgeldig is beëindigd, en dat de rechten en plichten uit artikel 5:94 BW Pro ook tijdens deze verlenging voortduren. Het arrest bevestigt de balans tussen bescherming van huurders en de belangen van de eigenaar bij het einde van erfpacht.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de gemeente gehouden is de huurovereenkomst gestand te doen binnen de grenzen van artikel 5:94 lid 2 BW.