ECLI:NL:PHR:2005:AT8244
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toetsing van gelijke beloning voor gelijke arbeid en goed werkgeverschap
De zaak betreft een arbeidsgeschil waarin een werknemer aanspraak maakt op aanvulling van zijn AAW/WAO-uitkering tot 100% van zijn laatstgenoten salaris, vergelijkbaar met een andere arbeidsongeschikte werknemer bij dezelfde werkgever. De werknemer vordert betaling van het verschil en een specificatie van het bruto-equivalent van reeds betaalde bedragen. De werkgever voert aan dat geen CAO van toepassing is en dat geen verplichting tot aanvulling bestaat, waarbij de ongelijke behandeling gerechtvaardigd zou zijn door andere omstandigheden.
De kantonrechter wees de eerste vordering toe en wees de tweede af. Het hof bekrachtigde dit oordeel en formuleerde dat toetsing van de vordering plaatsvindt aan de eisen van goed werkgeverschap zoals bedoeld in art. 7:611 BW Pro, waarbij het beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid wordt betrokken maar niet doorslaggevend is. Het hof oordeelde dat de ongelijke behandeling niet onaanvaardbaar was gelet op de concrete omstandigheden.
De Hoge Raad bevestigt in cassatie dat het beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid een zwaarwegend maar niet doorslaggevend criterium is binnen het kader van goed werkgeverschap. Alleen indien een ongelijke beloning zonder objectieve rechtvaardiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is sprake van strijd met goed werkgeverschap. Dit oordeel sluit aan bij eerdere arresten zoals het Agfa-arrest en het Parallel Entry-arrest. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toetsingsmethode van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof dat de ongelijke beloning niet onaanvaardbaar is, blijft in stand.