ECLI:NL:PHR:2005:AT8248
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt hoofdverblijfplaats kind bij moeder na echtscheiding ondanks verzoek vader voor nader psychologisch onderzoek
De zaak betreft een geschil over de hoofdverblijfplaats van een minderjarig kind na de echtscheiding van de ouders. De man en vrouw zijn in 2001 gehuwd en hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun zoon. Na de echtscheiding in 2003 vroeg de man de rechtbank om de hoofdverblijfplaats bij hem vast te stellen, mede op basis van zijn dagelijkse verzorging van het kind. De rechtbank bepaalde echter dat de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek moest instellen.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde, mede op basis van rapportages van het Psychologisch, Psychiatrisch en Neurologisch Adviesbureau Kemperman, dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder moest blijven. Het hof bekrachtigde deze beslissing en wees het verzoek van de vader af om nader psychologisch onderzoek naar de moeder te laten verrichten, ondanks kritiek van een externe partij (Psycom) op het eerder onderzoek.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de vader onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de onderzoeken onjuist waren. Het hof heeft het commentaar van Psycom wel overwogen maar onvoldoende bevonden om nader onderzoek te rechtvaardigen. Tevens werd bevestigd dat de artikelen 3 en 19 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) de rechter niet verplichten tot een nader onderzoek in deze context.
Het cassatieberoep van de vader werd verworpen, waarmee de beslissing dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft en de omgangsregeling voor de vader wordt gehandhaafd, definitief is. De Hoge Raad benadrukte het beleidsvrijheid van de feitenrechter bij het al dan niet gelasten van nader deskundigenonderzoek.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de hoofdverblijfplaats van het kind blijft bij de moeder.